Evenwichtige belangenafweging

Mercer | Evenwichtige belangenafweging

/

Evenwichtige belangenafweging, zo doet u dat!
Calendar31 oktober 2019

Pensioenfondsbesturen houden bij hun besluitvorming rekening met evenwichtigheid. Op het eerste oog zou men dan ook een grote uniformiteit tussen het beleid van pensioenfondsen verwachten. Wat evenwichtig is voor de ene populatie zal toch immers ook vaak evenwichtig zijn voor een andere fondspopulatie. Toch zijn de verschillen tussen pensioenfondsen groot. De bestuurskeuze voor met name het beleggingsbeleid verschilt van fonds tot fonds, maar ook de methode van premiestelling kent veel variatie. Mede als gevolg van bestuurskeuzes moet het ene pensioenfonds aan het einde van dit jaar naar alle waarschijnlijkheid gaan korten, waar het andere pensioenfonds nog kan indexeren. Naar mijn oordeel worden evenwichtigheidsdiscussies momenteel teveel kwantitatief bezien, waar elk bestuur kan beslissen op basis van persoonlijke voorkeur en veronderstellingen. In dit artikel zal ik dit nader toelichten en handvatten aanreiken om de evenwichtigheidsdiscussies beter te kunnen voeren.

De invulling van het nieuwe pensioencontract via de Wet verbeterde premieregeling (WVP) kan er daarnaast toe bijdragen dat evenwichtigheidsdiscussies zelfs vermeden kunnen worden en kwantificering gerichter ingezet kan worden. Het artikel is als volgt opgebouwd:

  1. Het wettelijk kader
  2. De huidige praktijk
  3. Bank of verzekeraar?
  4. Verbeterde Premieregeling
  5. Conclusie

1. Het wettelijk kader

1.1 Pensioenwet

Artikel 105 PW geeft pensioenfondsbestuurders een leidraad voor evenwichtigheid:

“De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.”

Wat evenwichtigheid nu eigenlijk is, blijft echter in het midden. Verder wordt er over een subjectieve grootheid als gevoel gesproken.

Zolang het bestuur een redenering kan overleggen waarom iets evenwichtig zou zijn, lijkt al aan de wettelijke plicht te zijn voldaan. Het Intern Toezicht toetst weliswaar op evenwichtigheid (artikel 104 PW) en is hier zelf ook aan gebonden. Strikte kaders over de inhoudelijkheid van deze toetsing ontbreken echter.

De risicohouding van pensioenfondsen als bedoeld in artikel 102a PW kan ook als maat voor evenwichtigheid gelden. In artikel 1 van het Besluit FTK is dit nader uitgewerkt onder andere met een overlegrol voor werkgevers en werknemers.

De vraag is echter in hoeverre deze overlegrol daadwerkelijk tot inbreng of zelfs ander beleid leidt. Persoonlijk ken ik geen voorbeelden van pensioenfondsen waarbij bijvoorbeeld het beleggingsbeleid door introductie van dit wetsartikel in 2015 significant is aangepast.

1.2 Code Pensioenfondsen

Ook de Code Pensioenfondsen geeft pensioenfondsbesturen richting voor evenwichtige besluitvorming. Concreet gaat het dan over de onderstaande normen.

Norm 1: “Het bestuur voert de regeling naar beste vermogen uit, in een evenwichtige afweging van belangen, en heeft hiervoor de eindverantwoordelijkheid.”

Norm 4: “Bij alle besluiten legt het bestuur duidelijk vast op grond van welke overwegingen het besluit is genomen.”

Norm 5: “Het bestuur legt verantwoording af over het beleid dat het voert, de gerealiseerde uitkomsten van dit beleid en de beleidskeuzes die het eventueel voor de toekomst maakt. Het bestuur weegt daarbij de verschillende belangen af van de groepen die bij het pensioenfonds betrokken zijn. Ook geeft het bestuur inzicht in de risico’s van de belanghebbenden op korte en lange termijn, gerelateerd aan het overeengekomen ambitieniveau.”

In ieder geval zal de verslaglegging hierdoor uitgebreid moeten zijn, maar mits beargumenteerd staan voor het bestuur nog veel keuzes open.

1.3 Invulling

Op grond van de genoemde (lagere) wet- en regelgeving lijkt “in redelijkheid uitlegbaar naar alle stakeholders (deelnemers, pensioengerechtigden, werkgevers)” het belangrijkste richtsnoer te zijn voor evenwichtigheid. In de praktijk zal de concrete invulling afhangen van de zwaarte van de verschillende deelbelangen, de aard van het te nemen besluit en de overige omstandigheden. Belangrijk is hierbij te noemen dat evenwichtig zeker niet gelijk staat aan evenredig.

2 De huidige praktijk

2.1 Evenwichtigheidsbeslissingen door bestuur en door de wetgever

De belangrijkste beslissingen die door besturen genomen dienen te worden richten zich met name op:

  • de mate en wijze van beleggingsrisico, de invulling van de beleggingsportefeuille;
  • de methodiek van vaststelling premie en hoogte hiervan;
  • de mate van aanpassing pensioenaanspraken (toeslag of korting).

Ook voor de overgang naar het nieuwe pensioencontract in het kader van het pensioenakkoord zal voor het bestuur een belangrijke rol zijn weggelegd in de evenwichtigheidsdiscussie van het bestaande naar het nieuwe contract. Uiteraard dient bij alle genoemde beleidsbeslissingen rekening te worden gehouden met de randvoorwaarden die de wetgever daaraan stelt.

De wetgever dient ook zelf evenwichtigheidsbeslissingen te nemen, met de toorn van verkiezingen in het vooruitzicht bij vermeende onevenwichtigheid.

Als meest ingrijpende (en met elkaar samenhangende) evenwichtigheidsbeslissingen valt te denken aan:

  • de hoogte van de rekenrente;
  • de minimale hoogte van buffers;
  • de regels inzake toeslag en korting.

2.2 Weging criteria

Ter illustratie van gangbare besluitvorming beschrijf ik hieronder de besliscriteria bij enige genoemde onderwerpen, te beginnen met de door de wetgever te bepalen rekenrente. De belangrijkste besliscriteria kunnen als volgt worden samengevat:

Beleidsbeslissing wetgever: rekenrente


De te verdelen middelen (i.e. het vermogen van het fonds) wijzigen uiteraard niet, waardoor een betere uitkomst op korte termijn overeenkomt met slechtere uitkomsten voor de langere termijn en vice versa. Er vindt dus feitelijk alleen een herverdeling plaats tussen de oudere en jongere generatie en andersom.

Kijken we naar de inrichting van het beleggingsbeleid, dan kan (met een ALM-studie) het volgende voorbeeldkader worden opgesteld:

Beleidsbeslissing bestuur: beleggingsbeleid


De invulling van de beleggingsmix is vanwege de gesimplificeerde weergave niet nader ingevuld.

Voor premiebeleid tenslotte zou de volgende beslismatrix opgesteld kunnen worden:


Beleidsbeslissing bestuur: premiebeleid

Voor wat betreft de rekenrente hebben besturen van pensioenfondsen het dus relatief makkelijk en kan de wetgever als zondebok van de huidige lage rente worden aangewezen.

Voor de andere twee beleidsbeslissingen, beleggingsbeleid en premiebeleid, komen alle varianten voor bij pensioenfondsen. Bestuurders die veel beleggingsrisico hebben genomen, met name renterisico, zullen momenteel minder lof oogsten dan zij die dit risico (veel) minder hebben gelopen. Evenzo zullen de besturen met lage premiedekkingsgraden momenteel geen makkelijk verhaal hebben bij de aanhoudende lage rente. Hoe verschillend de uitkomsten tussen de fondsen ook zijn uitgepakt, alle beleidsbeslissingen waren op het moment dat ze genomen zijn evenwichtig en uitlegbaar. Maar of de eveneens evenwichtige deelnemers het nu begrijpen is sterk de vraag.

3 Bank of verzekeraar?

3.1 Hulpmiddel

Een hulpmiddel in de evenwichtigheidsdiscussie voor besturen kan beantwoording zijn van de vraag of en in welke mate het pensioenfonds het karakter heeft van een bank danwel van een (schade)verzekeraar. Het karakter van een bank impliceert dat er een inleg wordt gedaan, dat het eigendomsrecht blijft bestaan bij de inleggers en dat de inleg (voorheen met rente) wordt terugbetaald. Het karakter van een (schade)verzekeraar houdt daarentegen in dat er een uitkering wordt gedaan aan hen die schade lijden en de premies vervallen aan de verzekeraar.Ik licht dit hierna nader toe.

3.2 Evenwichtigheid bij karakter bank

Een uitvraag bij uw deelnemers op dit punt is nog niet verplicht maar mocht u kreten horen als “Het zijn onze centen” of “Ik heb recht op toeslag” dan weet u dat uw deelnemers tegen u aankijken als bank. Evenwichtige besluitvorming voor u als bestuur kan dan gestuurd worden door een zogenoemde generatiebalans te maken van premies en uitkeringen, over verleden en toekomst.

Deze zou er als volgt uit kunnen zien:

De figuur is gebaseerd op de betaalde premies van enige grote pensioenfondsen in de afgelopen decennia. De uitkeringen zijn in verhouding aangepast, rekening houdend met behaald en verwacht beleggingsrendement en pensioen/Vut-ingangsdata. Wat als eerste opvalt is dat premies nu niet “historisch hoog” zijn, zoals vaak wordt aangenomen. De premies van ABP (2019: 21% salarissom, 1970: 24%) en PFZW (2019: 20% salarissom, 1970: 26%) bevestigen een en ander. De generatie van rond 1950 heeft het meest van lage premies (met name in 90er jaren) en vroege ingangsdata geprofiteerd. Deze generatie heeft dan ook de hoogste pensioenuitkering ten opzichte van de inleg. Met een inleg: uitkering-verhouding van 1:4 (Bron: “Pensioenfederatie rapport voor elkaar 2011”) is deze generatie financieel gezien beter af dan de jongste generatie, met een verwachte verhouding van 1:2.

Evenwichtigheidsbeslissingen onder het “karakter bank” zouden dan als volgt genomen kunnen worden:

Veronderstellen we dat de huidige premiedekkingsgraad 70% is, dan zal op de bestuurstafel liggen of deze al dan niet verhoogd zal moeten worden, bijvoorbeeld naar 100%.

De generatiebalans zal dan als volgt wijzigen:

De rekening van de verhoging van de premies komt met name bij de jongeren terecht, waar met de extra middelen eerder toeslag toegekend kan worden (of kortingen voorkomen kunnen worden) ten gunste van de wat oudere generatie. Indien de bankgedachte van balans tussen premies en uitkeringen wordt aangehouden, zal de grotere disbalans als gevolg van de premieverhoging niet als evenwichtig aangeduid kunnen worden. Hiermee is handhaven van de huidige lage premiedekkingsgraad van 70% prima uitlegbaar.

Hetzelfde geldt voor de rekenrentediscussie. Stel dat de rekenrente voortaan gebaseerd mag worden op “verwacht rendement”, dan wijzigt de generatiebalans als volgt:

De premies hoeven niet aangepast te worden, deze zijn weer kostendekkend onder verwacht rendement. De uitkeringen hoeven niet gekort te worden en kunnen mogelijk zelfs wat verhoogd worden. Ouderen ontvangen hierdoor meer geld. Aangezien de te verdelen middelen gelijk blijven, zullen de uitkeringen van jongeren uiteindelijk achterblijven ten opzichte van de eerder getoonde situatie. Zou de overheid ook het bankprincipe aanhangen, dan kan een verhoging van de rekenrente moeilijk als evenwichtig worden aangemerkt.

De conclusie van de generatiebalans lijkt in ieder geval dat beleidsbeslissingen in het nadeel van jongeren moeilijk als evenwichtig kunnen worden aangemerkt.

3.3 Evenwichtigheid bij karakter verzekeraar

De vraag is uiteraard in hoeverre een pensioenfonds een bank is. Kijkend naar de statuten van een pensioenfonds, dan lijkt in de basis het principe van een verzekeraar (uitkering bij schade) meer passend.

Passages in statuten als ”Pensioen is een inkomensverzekering, waarmee een (gezins)inkomen wordt verzekerd voor wanneer dat wegvalt wegens ouderdom, arbeidsongeschiktheid of overlijden” en “Het pensioenfonds heeft ten doel gelden bijeen te brengen in verband met ouderdom, invaliditeit en overlijden” staven het uitgangspunt van een verzekeraar, of zo u wilt een onderlinge.

Indien het bestuur van oordeel is dat dit het karakter van het pensioenfonds is, dan is het aan hen om te bepalen wie de gelden het hardste nodig heeft, waarbij dan ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid het criterium moet zijn.

Onderstaande figuur welke een overzicht geeft van de “armoede” in Nederland (Bron CBS (Integrale Inkomens- en Vermogensstatistiek ’17) kan hierbij behulpzaam zijn, met op de verticale as het percentage. Voor beleidsmakers eventueel nog te specificeren naar de eigen pensioenfondspopulatie:

Uit deze figuur blijkt dat de huidig gepensioneerden het minste in armoede leven, dit met uitzondering van de oudere gepensioneerden (die doorgaans minder pensioen en vaak hogere zorgkosten hebben). De evenwichtigheidsvraagstukken over premieverhoging ten laste van werkenden (lees jongeren), toeslagverlening (of korten) of rekenrente lijken ook bij deze beschouwing niet in het voordeel van ouderen uit te vallen. De noodzaak om de ouderen extra middelen te verschaffen lijkt niet te onderbouwen. De karakterisering als verzekeraar roept daarnaast een evenwichtsheidsvraag op bij andere beleidsbeslissingen. Zo staat een “uitkering ineens” op de pensioendatum op gespannen voet met dit uitgangspunt. De middelen waren vanuit een zorggedachte immers bedoeld voor de langlevende 100-jarige en niet voor gepensioneerden die jong overlijden. Uiteraard zijn er andere motieven om toch een uitkering ineens te doen, maar terughoudendheid in de mate waarin lijkt gewenst.

4 Verbeterde premieregeling

4.1 Het pensioenakkoord

In het voorgaande is steeds uitgegaan van het huidige pensioencontract, doorgaans vormgegeven als een uitkeringsovereenkomst. Het in juni van dit jaar gesloten pensioenakkoord maakt twee nieuwe pensioencontracten mogelijk, het “nieuwe contract” en de “verbeterde premieregeling”. Beiden gaan uit van een voorwaardelijke uitkering, waarmee de uitkeringsovereenkomst is vervangen door een premieovereenkomst. Op de website van de SER staan beide contracten als volgt schematisch beschreven:

Voor de verdere uitleg verwijs ik naar genoemd rapport. De exacte uitwerking van de beide nieuwe contracten wordt nog door stuurgroepen vormgegeven, maar op het eerste oog lijken beide contracten veel gemeen met elkaar te hebben. De beeldvorming over beide contracten is wel heel verschillend. Zo wordt gesproken over “het collectieve, solidaire contract” versus “het individuele contract”, hetgeen naar mijn oordeel de lading niet dekt.

Kijken we eerst naar de overeenkomsten, dan valt op dat de uitkeringsfase in beide contracten qua opzet vergelijkbaar is. Er geldt een uniform beleggingsbeleid en beleggingsschokken worden gespreid om korting te voorkomen waar mogelijk. Gegeven de oudere leeftijdssamenstelling zal dit beleggingsbeleid behoudender zijn dan in de opbouwfase.

Waardering van aanspraken zal op een marktrente plaatsvinden, hetgeen overigens minder relevant is vanwege de korte duratie voor deze groep. Verdere overeenkomsten zijn dat in de opbouwfase kortleven- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s worden gedeeld.

Ook bij de verbeterde premieregeling is deze dekking dus aanwezig en volgt een uitkering bij overlijden of arbeidsongeschiktheid, bij voortijdig overlijden vervalt het kapitaal aan het collectief.

Kijken we vervolgens naar de verschillen, dan is een belangrijk verschil dat bij de verbeterde premieregeling het langlevenrisico van de uitkeringsfase niet gedeeld wordt met de opbouwfase. Wat dit betekent laat ik zien aan de hand van de omrekening van twee overlevingstafels:

In het geval van het nieuwe contract worden de aanspraken bij de omrekeningen met respectievelijk 0,4% en 1,0% verhoogd. Feitelijk vindt er sponsoring plaats ter grootte van het verschil in veronderstelde levensverwachting tussen de opbouw- en uitkeringsfase.

In het geval van de verbeterde premieregeling worden de aanspraken bij de omrekening met respectievelijk 1,2% en 0,8% verhoogd. Bij de verbeterde premieregeling zijn in de opbouwfase echter geen aanspraken gedefinieerd en hier vindt dan ook geen aanpassing plaats. Het nieuwe contract lijkt dus meer solidair, maar de vraag is of dit een verbetering is ten opzichte van de verbeterde premieregeling. Zo bleek onlangs uit een onderzoek van Netspar (Bron Netspar Solidariteit pensioenstelsel: ouderen en jongeren delen liefst met eigen leeftijdsgroep) dat de grootste solidariteit wordt gevoeld met generatiegenoten. Het nieuwe contract voldoet niet aan deze eis. Daarnaast is de vraag of we überhaupt een nauwkeurige inschatting kunnen maken van levensverwachting van de jongere generatie. Gegeven de lange prognoseperiode lijkt sprake van schijnzekerheid, wat ook blijkt uit de verschillende tekens bij genoemde omrekenperiodes in de opbouwfase.

Het tweede belangrijke verschil is het verdelen van de beleggingsopbrengsten. In de uitkeringsfase is dit vergelijkbaar voor beide contracten, maar in de opbouwfase lijkt er veel verschil. Bij de verbeterde premieregeling wordt in de opbouwfase een schok direct verrekend met het kapitaal, bij het nieuwe contract wordt de schok gespreid over een aantal jaren.

Toch is dit verschil tussen beide contracten in de praktijk zeer beperkt. Voor deelnemers in de opbouwfase duurt het immers nog lange tijd voordat pensioen wordt genoten. Een spreiding van beleggingsopbrengsten gedurende de opbouwfase leidt tot een tussentijdse mitigering van de aanspraak, maar op de pensioendatum is uiteindelijk de gehele schok met de deelnemer zelf verrekend. Bij de verbeterde premieregeling zal het kapitaal hierdoor tussentijds fluctueren, maar op de pensioendatum zal de uitkering naar verwachting vergelijkbaar zijn.

Bij het nieuwe contract wordt gesproken over een leeftijdsafhankelijke verdeling van beleggingsresultaten, hetgeen vergelijkbaar is met de invulling onder de verbeterde premieregeling (meestal life-cycle, maar niet strikt voorgeschreven). Een uniforme beleggingsmix met gelijke toerekening van schokken gaat dus ook onder het nieuwe contract sowieso verdwijnen.

Een veel genoemd bezwaar van de verbeterde premieregeling is dat er pech- en gelukgeneraties zouden ontstaan. De eerdergenoemde generatieberekening geeft aan dat dit inherent is aan een (collectief) pensioensysteem, zodat ik dit niet specifiek als voor-of nadeel heb benoemd.

4.2 Evenwichtigheidsbeslissingen onder de verbeterde premieregeling

Naar mijn oordeel zijn er op grond van het voorgaande kwantitatief geen grote verschillen tussen beide nieuwe contractvormen. Vanuit de gedachte van evenwichtige besluitvorming verdient een invulling op basis van de verbeterde premieregeling echter wel veruit de voorkeur. Bekijk ik de eerdergenoemde beleidsbeslissingen nogmaals, maar nu met de verbeterde premieregeling als uitgangspunt.

Ten eerste de premie. Waar nu mogelijk discussie bestaat over de premiedekkingsgraad, is deze discussie onder de verbeterde premieregeling niet meer bestaand of relevant. Er wordt louter een premie gestort in het individuele vermogen. Er is in de opbouwfase sprake van een kapitaal en niet langer van een aanspraak. Het kapitaal kan direct gerelateerd worden aan betaalde premies, hetgeen meer inzicht geeft dan het vermelden van een aanspraak.

Ten tweede de rekenrente. Ook deze discussie is voor een grote groep niet meer relevant onder de verbeterde premieregeling. Er wordt immers pas een aanspraak ingekocht vanaf bijvoorbeeld 10 jaar voor de pensioendatum, dus mogelijke korting van aanspraken vóór deze periode en alle emoties die hiermee gepaard gaan is niet meer aan de orde. De rekenrente op de inkoopdatum is wel degelijk nog relevant, maar de inkoop geschiedt geleidelijk (over een periode van bijvoorbeeld 10 jaar) om dit effect te middelen. Door de eerdergenoemde korte duratie is de impact van de rekenrente veel minder relevant geworden. Uiteraard blijven er voor jongeren in het beleggingsbeleid nog steeds valide redenen om het renterisico (gedeeltelijk) af te dekken.

Ten derde de toeslag- en kortingsbeslissingen. Ook hier is het bestuur overbodig geworden als verdelingsschakel. In zowel de opbouwfase als de uitkeringsfase zijn de verdeelregels namelijk op voorhand helder, zonder arbitraire buffervorming.

En tenslotte het beleggingsbeleid. Onder de verbeterde premieregeling kunnen de eerder genoemde criteria veel effectiever voor groepen binnen het fonds worden ingezet.

Waar pensioenfondsen nu nog uniforme criteria hebben, kunnen deze in een ALM-studie veel gerichter worden bepaald.

Het eerdergenoemde criterium “kans op korting in 10 jaar” is bijvoorbeeld niet relevant voor jonge deelnemers, feitelijk nu ook al niet onder het huidige contract. De uitkomst op de pensioendatum is immers maatgevend. Dit criterium kan onder de verbeterde premieregeling dan ook vervangen worden door bijvoorbeeld “kans op koopkrachtbestendig kapitaal na 30 jaar”. Voor pensioengerechtigden is het kortingscriterium uiteraard wel relevant, maar de noodzaak van het criterium “verwachte toeslag” mag hier betwijfeld worden, mede het met de leeftijd dalend uitgavenpatroon in aanmerking genomen. (Bron Bestedingen van ouderen Nibud en PWC).

Onder de verbeterde premieregeling kan aldus een veel effectiever en evenwichtiger beleggingsbeleid worden vormgegeven dan momenteel het geval is. Zie hiervoor ook rapport DNB (bron De Nederlandsche Bank).

Mijn conclusie is dan ook dat de verbeterde premieregeling het leven van besturen veel eenvoudiger kan maken. Arbitraire evenwichtigheidsbeslissingen kunnen worden voorkomen en daar waar nog wel beleidsvorming nodig is kan dit veel effectiever worden ingericht.

5. Conclusie

Op het gebied van evenwichtigheid komen besturen momenteel tot verschillende conclusies en daarmee uitkomsten. Uiteindelijk komen de beleidsgevolgen voor rekening van de deelnemers, hetgeen strenge eisen stelt aan de besluitvorming. In dit artikel heb ik aangegeven dat het in de besluitvorming kan helpen om het karakter van het fonds te benoemen (bank of verzekeraar), om aldus evenwichtigheid te bepalen. Bij beide beschouwingen lijkt overigens prudentie ten opzichte van onze jongere generaties de belangrijkste uitkomst. Door een keuze te maken voor de verbeterde premieregeling als nieuw pensioencontract kunnen mogelijk arbitraire bestuursbeslissingen voorkomen worden. Vaak genoemde bezwaren tegen dit contract zijn naar mijn oordeel in de basis onjuist. Een brede invoering van dit contract zou alleen al om de reden van effectievere evenwichtigheidsafwegingen gewenst zijn.

 

Marc Heemskerk, oktober 2019


 

  Wilt u meer informatie ontvangen?
Onze pensioenconsultants geven u graag meer toelichting. Vul onderstaand formulier in en wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op.
*Verplicht veld