augustus 28, 2020

Niet onredelijk dat indexatieperspectief huidige ouderen verdwijnt

 

Door risicoarm beleggen in het nieuwe stelsel raakt indexatie voor de huidige ouderen, bij overgang op de huidige gemiddelde dekkingsgraad, definitief uit zicht. Dat is minder erg dan het lijkt gezien de inkomens en behoeften van ouderen, en de zekerheid die ze ervoor terugkrijgen.

 

Nog voordat het nieuwe pensioencontract in werking is getreden, wordt er al gespeculeerd over de houdbaarheid en wie hier de ‘winnaars en verliezers’ zouden zijn. Zo was in Pensioen Pro van 13 augustus de visie van Jean Frijns te lezen, die sprak van een niet-toekomstvast contract, met de ouderen als voornaamste slachtoffer.

 

Tegenvallende pensioenuitkomsten gelden vaak als basis voor de kritiek op het nieuwe pensioencontract, maar het contract wordt hiervoor onterecht als zondebok aangewezen. In dit artikel zal ik aangeven waarom het nieuwe pensioencontract, inclusief de overgang ernaartoe, op redelijke uitgangspunten is gebaseerd.

 

Vooropgesteld, het klopt helemaal dat met het nieuwe pensioencontract door risicoarm beleggingsbeleid voor de meeste huidige ouderen het indexatieperspectief definitief uit zicht raakt – uitgaande van overgang op de huidige gemiddelde dekkingsgraad van 93% zal dat zo zijn. Het klopt ook dat door de jarenlange daling van de rente de pensioenreservering (de technische voorziening) is verschoven van ouderen naar jongeren. Dit leidt echter geenszins tot een onhoudbaar  pensioencontract. Ik geef hiervoor vijf argumenten.

 

1. De behoeften van ouderen dalen tijdens pensionering
Gevoelsmatig is het niet verlenen van indexatie pijnlijk, temeer daar betrokkenen vaak menen dat zij hier recht op hebben en dat de financiële middelen toereikend zouden zijn, met aanpassing van de rekenrente. In onderzoeken blijken echter de uitgaven van ouderen geleidelijk af te nemen. Zie bijvoorbeeld dit Nibud-rapport, waarin beschreven staat dat een 75-jarige circa 20% minder uitgeeft dan een 65-jarige. De noodzaak van inflatiebescherming is aldus discutabel. Opvallend is dat betrokkenen zelf ook graag afzien van indexatie als hier iets tegenover staat, met als motto ‘liever vandaag zeker wat meer, dan misschien in de toekomst’. Bij fondsen met gegarandeerde indexatie, met op pensioendatum de mogelijkheid tot ruil voor een hogere gelijkblijvende uitkering, is die laatste mogelijkheid veruit favoriet. Het belang van indexatie na pensioeningang moet dus niet overschat worden. Het moet geen splijtzwam worden in het nieuwe pensioencontract.


2. Onder huidige ouderen is weinig armoede

In het nieuwe contract wordt voor ouderen als standaard minder risico genomen en meer zekerheid geboden dan nu. Hiermee wordt uiteraard ook het opwaarts potentieel beperkt. Onder het vorige punt heb ik reeds aangegeven dat indexatie geen harde noodzaak is. Uit de volgende figuur, die een overzicht geeft van de armoede in Nederland, blijkt dat de huidige ouderen het zich kunnen permitteren om af te zien van het nemen van risico, gegeven de huidige inkomenspositie.

 

Uit deze figuur blijkt dat de huidig gepensioneerden procentueel het minste in armoede leven (dit percentage staat op de y-as). Een uitzondering zijn de oudste gepensioneerden, die doorgaans minder pensioen en vaak hogere zorgkosten hebben.


3. De AOW is er ook nog

Voor met name de lagere inkomens vormt de AOW na pensionering de voornaamste inkomensbron. Het goede nieuws is dat deze jaarlijks geïndexeerd wordt, waarmee de meest kwetsbare groep een inflatiebescherming kent. De discussie over de tweede pijler raakt met name de wat hogere inkomens. Vanuit de door velen bepleitte solidariteit is de vraag of voor deze groep nu extra maatregelen getroffen moeten worden in de tweede pijler. De eerder getoonde figuur geeft hier weinig aanleiding toe. Ja, bij het nieuwe contract wordt nu ook formeel afscheid genomen van jaren van gemiste indexatie. Maar feitelijk was dit natuurlijk ook al bij het huidige financieel toetsingskader het geval. Een uitbreiding van de omslagfinanciering naar de tweede pijler is niet aan te raden. Acceptatie van een gelijkblijvend (niet geïndexeerd) inkomensniveau in de tweede pijler lijkt eenvoudiger en niet onredelijk.


4. Analyseren van het verleden lost geen problemen op

Door de rentedaling en de doorrekening hiervan in de technische voorziening is reservering verschoven van ouderen naar jongeren. Als er nu vermogens worden toegekend op basis van de huidige rentestand maakt dit ouderen echter geen slachtoffer. De reservering wordt continu aangepast aan hetgeen we nu adequaat achten. Er heeft in het verleden nooit recht bestaan op de technische voorziening, louter op een uitkering. Reservering is ook maar één factor. Als dan toch het verleden in de discussie betrokken moet worden, kan ook naar premie gekeken worden. Met een premie-uitkeringverhouding van één op vier (bron: brochure 'Voor Elkaar' van de Pensioenfederatie uit 2011) is de oudere generatie financieel gezien beter af dan de jongste generatie, met een verwachte verhouding van één op twee, door lagere rendementsverwachtingen. Een slachtofferrol voor de ouderen lijkt hier niet van toepassing.


5. Men krijgt zekerheid terug voor het indexatieoffer

Het risicoarme beleid voor pensioengerechtigden betekent wel dat aan hen meer zekerheid wordt gegeven. In het nieuwe stelsel is er minder kans op een verhoging van het pensioen, maar daar tegenover staat ook minder kans op een verlaging van het pensioen – zonder dat een 100% uitkeringsgarantie afgegeven kan worden, uiteraard. Een stelselovergang bij de huidige gemiddelde dekkingsgraad van 93% (stand juli 2020) kan bij gebruik van een nieuw (enigszins optimistisch) projectierendement een pensioenkorting voorkomen. Met als keerzijde dat het beetje extra rendement dat via risicovol beleggen naar verwachting nog wordt behaald, bij gepensioneerden nodig is om dit projectierendement daadwerkelijk te bereiken, de indexatieambitie ten spijt.

 

Verbeteringen wel mogelijk

Uiteraard zijn nog wel verbeteringen mogelijk en wenselijk bij het voorliggende pensioencontract. Het rapport uitvoeringstoets van de Pensioenfederatie biedt hiertoe al goede handvatten. Uitbreiding van de keuzevrijheid bij het nieuwe contract is belangrijk. De lage risicohouding bij gepensioneerden kan dan als default dienen, maar als zij willen, kunnen zij daarvan afwijken. Dit doet er niets aan af dat het nieuwe contract in de basis degelijk en weldoordacht is. Ik kijk dan ook met vertrouwen uit naar de publicatie van onze wereldwijde Mercer-pensioenranglijst in 2020, waar we met een naar lokaal oordeel ‘onhoudbaar’ pensioenstelsel al jarenlang de toppositie bezetten.

Marc Heemskerk
Marc Heemskerk
Pensioen expert