augustus 28, 2020

Het is niet onredelijk dat het indexatieperspectief van de huidige ouderen verdwijnt

 

Door risicoarm beleggen in het nieuwe pensioenstelsel raakt indexatie voor de huidige ouderen, bij overgang op de huidige gemiddelde dekkingsgraad, definitief uit zicht. Dat is minder erg dan het lijkt gezien de inkomens en behoeften van ouderen, en de zekerheid die ze ervoor terugkrijgen.

 

Nog voordat het nieuwe pensioencontract in werking is getreden, wordt er al gespeculeerd over de houdbaarheid en wie hier de ‘winnaars en verliezers’ zouden zijn. Zo was in Pensioen Pro van 13 augustus de visie van Jean Frijns te lezen, die sprak van een niet-toekomstvast contract, met de ouderen als voornaamste slachtoffer.

 

Tegenvallende pensioenuitkomsten gelden vaak als basis voor de kritiek op het nieuwe pensioencontract, maar het pensioencontract wordt hiervoor naar mijn oordeel onterecht als zondebok aangewezen. In dit artikel zal ik aangeven waarom het nieuwe pensioencontract, inclusief de overgang hier naartoe, op redelijke uitgangspunten is gebaseerd.

 

Vooropgesteld, het klopt helemaal dat met het nieuwe pensioencontract,  door een risicoarm beleggingsbeleid,  het indexatieperspectief en hiermee de inflatiebescherming voor de meeste huidige ouderen definitief van de baan is (behalve bij de rijkere pensioenfondsen). Het klopt ook helemaal dat door de jarenlange daling van de rente de pensioenreservering (technische voorziening) is verschoven van ouderen naar jongeren. Dit betekent echter geenszins dat dit tot een onhoudbaar pensioencontract leidt, en dat baseer ik op de volgende argumenten:

 

 

1. Indexatie van pensioen vanaf de ingangsdatum is niet noodzakelijk voor handhaving van de koopkracht
Gevoelsmatig is het niet verlenen van indexatie pijnlijk, temeer daar betrokkenen vaak vinden dat zij hier recht op hebben en dat de financiële middelen hiertoe toereikend zouden zijn (met aanpassing van de rekenrente). Uit onderzoek blijken echter de uitgaven van ouderen geleidelijk af te nemen  (zie het onderzoek van Nibud/PWC waarin beschreven is dat een 75-jarige circa 20% minder uitgeeft dan een 65-jarige). De noodzaak van inflatiebescherming is dus discutabel. Opvallend is dat betrokkenen zelf ook graag afzien van indexatie op het moment dat hier iets tegenover staat, met als motto “liever vandaag zeker wat meer dan mogelijk in de toekomst”. Bij fondsen met gegarandeerde indexatie, met op de pensioendatum de mogelijkheid tot ruil in een hogere gelijkblijvende uitkering, is  deze laatste mogelijkheid veruit favoriet. Het belang van indexatie na pensioeningang moet hiermee niet overschat worden en een splijtzwam worden in het nieuwe pensioencontract. 

 


2. De huidige ouderen hebben al inkomenszekerheid, het nemen van pensioenrisico is voor hen niet passend

In het nieuwe contract wordt voor ouderen als standaard minder risico genomen en meer zekerheid geboden dan momenteel het geval is. Hiermee wordt uiteraard ook het opwaarts potentieel beperkt. Onder het vorige punt heb ik reeds aangegeven dat indexatie geen harde noodzaak is; uit de volgende figuur blijkt dat de huidige ouderen het zich kunnen permitteren om af te zien van het nemen van risico gegeven de huidige inkomenspositie:

 

Onderstaande figuur welke een overzicht geeft van de “armoede” in Nederland (Bron CBS)

(Integrale Inkomens- en Vermogensstatistiek ’17)

 

 

Uit deze figuur blijkt dat de huidig gepensioneerden procentueel (zie y-as) het minste in armoede leven, met uitzondering van de oudere gepensioneerden (die doorgaans minder pensioen en vaak hogere zorgkosten hebben). Dus ja, bij het nieuwe contract wordt nu ook formeel afscheid genomen van jaren van gemiste indexatie. Maar feitelijk was dit natuurlijk ook al bij het huidige Financieel Toetsingskader het geval. 


3. De AOW is er ook nog

Voor met name de lagere inkomens vormt de AOW na pensioeningang de voornaamste inkomensbron. Het goede nieuws is dat deze nog jaarlijks geïndexeerd wordt ook, waarmee de meest kwetsbare groep toch nog een inflatiebescherming kent. De discussie over de tweede pijler raakt dan ook met name de wat hogere inkomens. Vanuit de door velen bepleitte solidariteit is de vraag.  of voor deze groep dan nu aanvullende maatregelen getroffen moeten worden in de tweede pijler. De eerder getoonde figuur geeft hier weinig aanleiding toe; de percentages in de figuur zullen niet afnemen. Een uitbreiding van de omslagfinanciering naar de tweede pijler is in dit kader niet aan te raden. Acceptatie van een gelijkblijvend (niet geïndexeerd) inkomensniveau in de tweede pijler lijkt eenvoudiger en niet onredelijk.


4. Analyseren van het verleden lost geen problemen op

Door de rentedaling en de doorrekening hiervan in de technische voorziening is reservering verschoven van ouderen naar jongeren. Als er nu vermogens worden toegekend op basis van de huidige rentestand maakt dit ouderen echter geen slachtoffer. De reservering wordt continu aangepast aan hetgeen we nu adequaat achten, zonder bijstelling van het verleden. Er heeft in het verleden nooit recht bestaan op de technische voorziening, louter op een uitkering. Reservering is ook maar één factor. Als dan toch het verleden in de discussie betrokken moet worden, kan ook de uitkering hierin betrokken worden. Met een premie-inleg: uitkering-verhouding van 1:4 (Bron: Pensioenfederatie rapport voor elkaar 2011) is de oudere generatie financieel gezien beter af dan de jongste generatie, met een verwachte verhouding van 1:2 (bij lagere rendementsverwachtingen). Een slachtofferrol voor de ouderen lijkt in dit kader dan ook niet van toepassing.


5. Men krijgt zekerheid terug voor het indexatieoffer

Het risicoarme beleid voor pensioengerechtigden betekent wel dat aan hen meer zekerheid wordt gegeven. In het nieuwe stelsel is er minder kans op een verhoging van het pensioen, maar daar tegenover staat ook minder kans op een verlaging van het pensioen – zonder dat een 100% uitkeringsgarantie afgegeven kan worden, uiteraard. Een stelselovergang bij de huidige gemiddelde dekkingsgraad van 93% (stand juli 2020) kan bij gebruik van een nieuw (enigszins optimistisch) projectierendement een pensioenkorting voorkomen. Met als keerzijde dat het beetje extra rendement dat via risicovol beleggen naar verwachting nog wordt behaald, bij gepensioneerden nodig is om dit projectierendement daadwerkelijk te bereiken, de indexatieambitie ten spijt.

 

Verbeteringen wel mogelijk

Uiteraard zijn nog wel verbeteringen mogelijk en wenselijk bij het voorliggende pensioencontract. Het rapport uitvoeringstoets van de Pensioenfederatie biedt hiertoe al goede handvatten. Uitbreiding van de keuzevrijheid bij het nieuwe contract is belangrijk. De lage risicohouding bij gepensioneerden kan dan als default dienen, maar als zij willen, kunnen zij daarvan afwijken. Dit doet er niets aan af dat het nieuwe contract in de basis degelijk en weldoordacht is. Ik kijk dan ook met vertrouwen uit naar de publicatie van onze wereldwijde Mercer-pensioenranglijst in 2020, waar we met een- naar lokaal oordeel ‘onhoudbaar’ pensioenstelsel al jarenlang de toppositie bezetten.

Marc Heemskerk
Marc Heemskerk
Pensioen expert