Aanpassing van een Pensioenstelsel uit de Mondiale Top

HET HOE EN WAAROM

Door: Marc Heemskerk, Pensioenexpert Mercer, 29 maart 2018

INLEIDING 

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt internationaal gezien als een van de beste in zijn soort. Volgens het bekende en vaak aangehaalde onderzoek “de Melbourne Mercer Global Pension Index (MMGPI) scoort Nederland wereldwijd een tweede positie, met slechts een tiende achterstand op koploper Denemarken. De waardering van de gemiddelde Nederlander reflecteert deze toppositie echter niet. Volgens het jaarlijks vertrouwensonderzoek van Mercer waarderen deelnemers van pensioenfondsen hun pensioenuitvoerder voor de tweede pijler met een magere 6,1. De roep om verandering klinkt alsmaar harder en in het regeerakkoord3 is de richting hiervoor aangegeven. In dit artikel ga ik in op de tegenstelling van de externe loftrompet en de interne roep tot verandering van ons stelsel. Het artikel is als volgt opgebouwd:

1. Internationale ranking, MMGPI
2. De vertrouwenscrisis van het Nederlandse pensioenstelsel
3. Internationale lessen als basis voor stelselaanpassingen
4. Evolutie in plaats van vermeende revolutie
5. Conclusie


1 . INTERNATIONALE RANKING, MMGPI 

1.1 Achtergrond

Exacte tellingen zijn bij mijn weten nooit gemaakt, maar het aantal pensioensystemen op de wereld zal niet veel verschillen van het aantal landen op deze wereldbol. Vrijwel ieder land heeft zijn eigen unieke pensioensysteem, doorgaans bepaald op basis van historische en culturele uitgangspunten. Juist deze specifieke uitgangspunten maken de beoordeling van een pensioensysteem in internationaal perspectief complex. Zo zal de gemiddelde Amerikaan, wars van overheidsbemoeienis, fan van marktwerking, het Nederlandse systeem verketteren: een verplichte afdracht voor de eerste pijler, voor alle ingezetenen. Daarnaast een verplichte afdracht voor de tweede pijler aan een pensioenfonds, waarbij men in de praktijk doorgaans geen zeggenschap over het ingebrachte geld heeft. De gemiddelde Nederlander echter zal met afgrijzen naar deze overzeese buren kijken, met in het achterhoofd de gepensioneerde die uit inkomensnood maar weer aan de slag moet op 80-jarige leeftijd als krantenverkoper of de Enron-medewerker die zijn pensioen heeft zien verdampen. Een internationale vergelijking van pensioensystemen is naar ons oordeel echter desondanks zinvol, zodat landen kunnen leren van elkaar en hun pensioensystemen verder kunnen ontwikkelen.

1.2 MMGPI

Het bekendste en meest aangehaalde internationale onderzoek is de Melbourne Mercer Global Pension Index (MMGPI). De index wordt jaarlijks bepaald in Australië, door het Australische Onderzoekscentrum voor Financiële Studies (in samenwerking met de Universiteit van Melbourne). Vanuit alle (30 in 2017) onderzoekslanden wordt via vragenlijsten lokale input over het stelsel geleverd, die voor de helft de score bepaalt. De andere helft van de score wordt bepaald op basis van OESO data over het betreffende land. Het rapport geniet in Australië veel status, getuige de jaarlijkse toelichting die de Minister van Industrie hierop verstrekt. Onder pensioenstelsel wordt hier het totaal van alle pensioenpijlers verstaan. In de rest van dit artikel ga ik met name in op de tweede pijler.

Als eerder gesteld is vergelijking van pensioensystemen in internationaal perspectief complex, maar de index beoogt toch normen te stellen voor een internationaal goed pensioensysteem. Een goed pensioensysteem zou in deze moeten leiden tot een voldoende financiële positie voor ouder wordende personen. Daarnaast moet het systeem houdbaar zijn voor toekomstige generaties en moet er in de samenleving draagvlak en vertrouwen in het pensioensysteem zijn. De positie op de index wordt dan ook bepaald op basis van adequaatheid (40% weging), houdbaarheid (35%) en integriteit (25%).  

Voor elk van deze onderdelen zijn normen gesteld. In totaliteit zijn er meer dan 40 indicatoren die de eindscore bepalen. In onderstaand schema zijn de voornaamste factoren opgenomen. In genoemd rapport zijn deze allen vermeld (alsook alle vragen over het lokale pensioenstelsel).

 

Als enige land scoort Nederland op alle gebieden een top 3 positie, hetgeen gewenst is voor een goed pensioenstelsel. Veel andere landen scoren op één gebied, maar laten veel punten liggen op de andere gebieden. Vergelijk de fraaie positie van Frankrijk voor adequaatheid (adequacy) versus de (niet uit de getoonde tabel blijkende) lage score voor houdbaarheid (sustainability) (i.v.m. omslagstelsel). Samenvattend kan de hoge Nederlandse score verklaard worden door:

  • Adequaatheid: De gemiddelde hoge nettovervangingsratio na pensionering voor eenmodaal inkomen (80%) en de aanwezige belegdemiddelen voor pensioen in relatie tot het brutonationaal product (180%) zijn beiden mede terug te brengen door de hoge bijdrage aan het tweede pijlerpensioen (bijna 20% salarissom). Uit wereldwijde armoedemetingen onder ouderen volgt doorgaans hetzelfde positieve beeld voor Nederland als uit de MGGPI.
  • Houdbaarheid: De met de levensverwachting oplopende pensioenleeftijd in het pensioensysteem (zowel in de eerste als de tweede pijler) maken het systeem naar de beschouwde normen houdbaar naar de toekomst, alsook de reeds genoemde hoge pensioenbijdrage.
  • Integriteit: De strikte afscheiding van pensioengelden buiten de onderneming alsook het onafhankelijke toezichts- en verantwoordingsgremium. Waar bestuurders van Nederlandse pensioenfondsen zuchten onder de wettelijke eisen en regelzucht van toezichthouders, weegt de bescherming van de deelnemer die hieruit volgt in het onderzoek veel zwaarder.

1.3 Wereldwijde trends en Nederlandse verbeterpunten

In het rapport worden belangrijke wereldwijde trends benoemd, die het ontwerp van de “ideale pensioenregeling” compliceren. De bekendste hiervan zijn de terugloop van het geboortecijfer (in de meeste landen onder de 2), de toename van de levensverwachting, de lage renteomgeving en de lage economische groei. De invloed van deze factoren is per land echter zeer verschillend. In Europa zijn Italië en Frankrijk de voornaamste “slachtoffers”, waar Japan als voorloper van de wereldwijde vergrijzing ook een problematische situatie kent (1,44 werkende op 1 gepensioneerde in 2040). Voor India zijn de demografische vooruitzichten wereldwijd juist weer het beste. Nederland zit qua trends op wereldniveau in de middenmoot, wat betekent dat enkele aanbevelingen voor de probleemlanden ook op ons van toepassing zijn. De belangrijkste aanbeveling voor Nederland is een toename van de arbeidsparticipatie van de oudere (beroeps)bevolking. De vrijwel voor ieder land geldende oproep om meer te sparen gaat niet aan Nederland voorbij, hoewel wij koploper besparingen zijn. De hypotheekschulden zijn hier debet aan. De oproep onderstreept de wereldwijde spaartekorten die in de toekomst worden verwacht.

2. DE VERTROUWENSCRISIS VAN HET NEDERLANDSE PENSIOENSTELSEL

2.1 Achtergrond

Men zou verwachten dat de externe blik op ons pensioenstelsel leidt tot een Nederlander die trots is op zijn pensioenstelsel maar niets is minder waar. Over de tweede pijler is al geruime tijd een discussie aan de gang en recentelijk wordt deze overstemd door de AOW-leeftijd discussie (eerste pijler). De perceptie over ons eigen stelsel is dan ook niet heel positief. Het vertrouwen in het stelsel is niet groot, wat vreemd genoeg niet overeenkomt met de externe blik.\

2.2 Vertrouwens-onderzoek

Jaarlijks doet Mercer Nederland onderzoek naar het vertrouwen in ons pensioenstelsel. De basisvraag hoeveel vertrouwen men heeft in de eigen pensioenuitvoerder wordt door de gemiddelde Nederlander beantwoord met een 6,1 op een schaal van 1 tot 10. Toegegeven, het is hoger dan de 5,9 van twee jaar geleden maar zeker niet passend bij de internationale score van ons stelsel. Als voornaamste verbeterpunten werden achtereenvolgens aangereikt de afkeer van bonussen in de pensioensector, meer maatschappelijk verantwoord beleggen alsook meer keuzemogelijkheden voor de pensioenuitkering. Met name de eerste twee punten lijken perceptiepunten: Bij het merendeel van de Nederlandse pensioenfondsen zijn bonussen niet aan de orde (of materieel) en Nederlandse pensioenfondsen zijn internationaal koploper wat betreft maatschappelijk verantwoord beleggen. De genoemde beperkte keuzemogelijkheden kunnen objectief meer onderbouwd worden in ons paternalistisch stelsel met verplichtstelling, waar een bestuur volledige zeggenschap heeft over uitkeringsbepalende zaken als het beleggingsbeleid. Dat de resultaten perceptie gestuurd zijn wordt ook bevestigd door de antwoorden op andere vragen uit het onderzoek. 26% van de ondervraagden geeft aan niet te weten wie hun pensioenuitvoerder  is (maar heeft er toch geen vertrouwen in!) en maar liefst 66% geeft aan niet te weten wat de pensioenuitvoerder eigenlijk doet. 

2.3 Complexiteit

Een pensioenstelsel is feitelijk niets meer dan premies innen, deze gelden beleggen en een systematiek van uitdelen afstemmen. In Nederland is deze vormgeving voor de pensioenleek uiterst complex. De complexiteit van ons stelsel wordt in hoge mate veroorzaakt doordat in de meeste pensioenregelingen nog een aanspraak wordt toegezegd met een bepaald zekerheidsniveau van uitkeren (in vakjargon defined benefit regelingen ook wel DB-regelingen genoemd). Om dit zekerheidsniveau te waarborgen en te bezien wat er uitgekeerd kan worden, worden aannames gemaakt over bijvoorbeeld toekomstige rendementsverwachtingen en sterftekansen. Momenteel bepaalt het Financieel Toetsingskader de kaders hiervoor. Tot circa tien jaar geleden was het gros van de fondsdeelnemers, ondanks de complexiteit, zeer tevreden met dit systeem. Het zekerheidsniveau kon namelijk met de aanwezige pensioenmiddelen gewaarborgd worden, waardoor het pensioen alsook de toeslag over het pensioen eveneens gewaarborgd waren. De financiële crisis van 2008, de oplopende levensverwachting en de aanhoudend lage renteomgeving hebben dit beeld sindsdien verstoord. Eerst met gevolgen voor de toeslagverlening (verlagen c.q. uitblijven van toeslagverlening) en later bij enkele pensioenfondsen zelfs ook voor de nominale pensioenaanspraak (pensioenkortingen). Het is anno 2018 ook nauwelijks meer uit te leggen dat de pensioenreservering met circa € 1.300 miljard op recordhoogte staat en er toch nog korting van pensioenen dreigt. De wettelijke regels vormen dan al snel de zondebok, waar de zekerheidswaarborg toch vooraf (politiek) was afgestemd. Kortom, complexiteit is prima zolang de verwachtingen van de deelnemer maar nagekomen kunnen worden, anders niet.

2.4 De noodzaak tot verandering

Op zich zou een negatieve perceptie geen reden hoeven te zijn tot verandering van ons pensioenstelsel. Met name de “rijkere” pensioenfondsen, die nog wel steeds hun ambitie kunnen waarmaken, zijn voorstander van behoud van het bestaande. Er kan getracht worden de perceptie te veranderen. Via alsmaar meer pensioencommunicatie is dit de afgelopen jaren ook geprobeerd, echter zonder veel resultaat. Met een continue negatieve mediastroom en een pensioenproduct dat te complex is geworden om uit te leggen, is dit ook niet verwonderlijk. Er zullen naar mijn mening dus toch stappen gezet moeten worden om te komen tot verandering. Een pensioensysteem dient immers voldoende draagvlak te houden, ook al is het pensioen verplicht. De verplichtstelling op zichzelf komt anders ook ter discussie te staan. Bij de voorgestane verandering moet er wel voor gewaakt worden dat de fundamenten van onze hoge internationale positie behouden blijven.

3. INTERNATIONALE LESSEN ALS BASIS VOOR STELSEL AANPASSINGEN

3.1 Buitenlandse leerpunten

De MMGPI geeft een helder beeld van de waardering van wereldwijde pensioensystemen. Wij hebben nader onderzoek gedaan naar de systemen van onze medekoplopers Denemarken en Australië, voor leerpunten voor ons systeem. Gegeven de wens tot minder complexiteit, gaan we er hierbij al van uit dat het Nederlandse pensioensysteem zal ontwikkelen naar een systeem met persoonlijke pensioenpotten in de opbouwfase en een collectieve uitkeringsfase, zoals momenteel door de SER wordt onderzocht. Opvallend zijn de overeenkomsten tussen de drie landen. Alle drie hebben een eerste pijler op omslagbasis met een kapitaalgedekte tweede pijler. Zowel bij Nederland als Denemarken is de verhouding circa 50%-50%. Alleen Nederland past geen korting toe op het eerste pijler pensioen, bij een hoog tweede pijler pensioen. De collectieve beleggingsmixen tussen Nederland en Denemarken zijn vergelijkbaar, waarbij in Australië voor een wat groter belang in zakelijke waarden is gekozen.

Vergelijken we het Deense systeem met dat van Nederland, dan vallen de volgende zaken op (bekeken vanuit het Deense systeem):

  • De traditionele zogenoemde “Average return schemes”, met garanties en behoudendere beleggingsmixen, zijn grotendeels vervangen door zogenoemde “Market return schemes” zonder garanties en met een groter belang in zakelijke waarden. Dit met instemming van de deelnemers. Sterker nog, de deelnemers die hun garantieaanspraken/kapitaal konden omzetten naar het niet gegarandeerde pensioensysteem hebben dit in groten getale gedaan. Het motief is dat een garantie dwingt tot behoudende beleggingen, waarmee nog nauwelijks enig opwaarts potentieel wordt verwacht.
  • De afgegeven garanties waren sowieso minder dan in Nederland gebruikelijk. Het tarief van de annuïteit met betrekking tot levensverwachting wordt doorgaans pas op de pensioendatum bepaald, waar de gemiddelde pensioendeelnemer in Nederland al direct een pensioenaanspraak krijgt toegezegd. Het garantierendement werd daarbij over de hele looptijd bepaald in plaats van jaarlijks.
  • Er wordt de deelnemer keuzemogelijkheden geboden met betrekking tot beleggingsmix, deelnemersbijdrage en aanwending op de pensioendatum (een annuïteit, uitkering met vaste uitkeringsperiode of uitkering ineens). Individuele keuze van een pensioenuitvoerder is niet altijd mogelijk, maar wordt ook niet gewenst en is geen issue!
  • Bij de deelnemers is er een groot vertrouwen in het pensioensysteem en zijn ze er trots op.

Voor ons stelsel volgen hier direct als leerpunten
uit dat:

  • (blijkens de overstap naar market return schemes) de veronderstelde zekerheidsgedachte van de deelnemer wellicht toch minder groot is dan wij denken. En
  • dat keuzemogelijkheden voor de deelnemer, ook al worden ze in de praktijk niet benut, veel onvrede wegnemen, gegeven de deelnemerswaardering van het systeem. Ook onze transitie van opgebouwde aanspraken van een oud naar een nieuw systeem, nu als knelpunt gezien, zou op keuzebasis gemaakt kunnen worden.

Bij een blik op Australië vallen de volgende zaken op (bekeken vanuit het Australische systeem):

  • Er geldt een wettelijke bijdrage van 9,5% van het salaris voor alle werknemers, maar ook zelfstandigen kunnen hier gebruik van maken. In de toekomst geldt een verhoging van het percentage naar 12.
  • De keuzemogelijkheden zijn vergelijkbaar met Denemarken, waarbij zelfs de pensioenuitvoerder gekozen kan worden.
  • Opvallend genoeg kan op de pensioendatum geen annuïteit worden aangekocht (geen marktconforme inkoopmogelijkheden) en is het pensioengeld voor eenieder direct opneembaar. In de praktijk is de geldopname relatief laag, uit angst voor financiële tegenvallers in de toekomst. Het gebrek aan geldopname ziet men als een van de grote problemen van het pensioensysteem!
  • Bij geen actieve keuze geldt een ‘default’-keuze. Het kostenniveau ligt iets hoger dan in Denemarken en in Nederland en ook dit wordt als lokale verbetermogelijkheid genoemd.

Voor ons stelsel zou als leerpunten meegenomen kunnen worden dat:

  • de angst dat bij een vrijere aanwending van kapitaal in de uitkeringsfase het pensioenkapitaal direct “verbrast” wordt, ongegrond is. Australië laat ons namelijk het tegendeel zien.
  • een vaste bijdrage, zonder franchise aftrek, voor een ieder een interessante optie is. Het is passend bij de verzorgingsgedachte van pensioen en borgt ook voor lagere inkomens een adequate opbouw. Met name voor zware beroepen zou dit een oplossing kunnen in plaats van een eerder ingaand en daarmee lager pensioen.
  • met veel minder pensioenbijdrage dan in Nederland toch een hoog gewaardeerd systeem vormgegeven kan worden.

4. EVOLUTIE IN PLAATS VAN VERMEENDE REVOLUTIE

4.1 De invulling

De buitenlandse leerpunten geven aan hoe het Nederlandse pensioenstelsel houdbaarder gemaakt kan worden. Een opbouwfase met individuele kapitalen (in plaats van een pensioenaanspraak) geeft de deelnemer een direct verband tussen de betaalde bijdrage en zijn reservering/toezegging. Anders dan nu is een buffer in de opbouwfase naar ons oordeel niet noodzakelijk. Er is namelijk nog geen aanspraak/uitgavenpatroon dat beschermd moet worden. Een vlakke, leeftijdonsafhankelijke premie waarborgt dat faire toe- en uittreding op elke leeftijd mogelijk is, waarmee gebroken carrières of ZZP’ers geen beletsels meer zijn in het systeem. Belangrijk voor het vertrouwen is dat de deelnemer keuzemogelijkheden krijgt, zoals in de beleggingsmix, de eigen deelnemersbijdrage en aanwending op de pensioendatum, waarbij een (paternalistische) default geldt indien men niet kiest. Alleen al het gevoel van (meer) keuzemogelijkheden zal tot een aanzienlijk hogere waardering van het stelsel leiden

In de uitkeringsfase wordt, net als nu, wel een aanspraak/uitkering toegezegd. (Vermeende) Garanties zijn er niet (meer), maar wel een grote mate van zekerheid. Deze zou geboden kunnen worden door in de waardering te blijven uitgaan van de rentetermijnstructuur en door het behaalde rendement op zakelijke waarden in plaats van direct, gespreid toe te rekenen, bijvoorbeeld over een periode van 10 jaar. De opzet van de Wet Verbeterde Premieregeling kan hierbij als basis dienen. Inkoop in de uitkeringsfase kan geleidelijk plaatsvinden vanuit de opbouwfase, ter mitigering van het renterisico.

Natuurlijk gelden in beide fases collectieve deling van langlevenrisico en bescherming tegen vroeg overlijden en arbeidsongeschiktheid. Deze onderdelen staan in het huidige stelsel immers niet ter discussie.

Bij het eerder gememoreerde deelnemersonderzoek is ook de vraag gesteld of dit model tot een groter vertrouwen zou leiden. Maar liefst drie kwart van de jongere deelnemers gaf aan dat dit het geval was.

4.2 Revolutie?

Is de geschetste invulling, in lijn met de voorstellen van de SER, nu zo revolutionair en gooien we ons internationaal geroemde systeem hiermee te grabbel? Wat mij betreft beiden niet. Het premieniveau zal op collectief niveau vrijwel gelijk blijven (de eigen deelnemersbijdrage wordt wellicht iets minder), dus de input in het stelsel wijzigt niet. De individuele kapitalen worden collectief belegd. De gemaakte rendementen (en het lage kostenniveau) wijzigen dus ook niet in een dergelijk nieuw stelsel. Daarmee komt er dus ook weer hetzelfde uit. Met de adequaatheid zit het dus wel goed. Dan de houdbaarheid en het vertrouwen/integriteit. In ons huidige systeem zeggen we een aanspraak toe en is het gereserveerde kapitaal secundair en vaak onbekend bij de deelnemers (het ABP heeft onlangs overigens goede stappen gezet om het pensioenbegrip van haar deelnemers te vergroten met de aankondiging de individuele pensioenkapitalen te gaan communiceren). In de voorgestelde nieuwe opzet wordt het kapitaal in de opbouwfase maatgevend en wordt de aanspraak secundair en slechts bepaald voor prognosedoeleinden. Feitelijk is dit een formele vastlegging van hoe we nu al handelen. In de huidige praktijk wordt immers de aanspraak direct gestuurd door het achterliggende kapitaal. Criticasters zouden de vraag kunnen opwerpen of een overgang naar de nieuwe opzet dan wel noodzakelijk is. Naar mijn oordeel wel, en wel vanwege de voordelen. Anders dan nu worden de eigendomsrechten helder, is er geen discussie meer over buffers, kortingen en waarderingsregels. En via een collectieve uitkeringsfase blijft doorbeleggen tot hoge leeftijd gewaarborgd, met blijvend toeslagpotentieel.

4.3 Bottlenecks

Het regeerakkoord van Rutte III lijkt de nieuwe opzet volledig mogelijk te maken. Toch lijkt relevante wetgeving in 2020 een optimistisch streven. De invulling van het pensioencontract is namelijk in eerste instantie bij sociale partners neergelegd. De door hen benoemde bottlenecks zijn naar ons oordeel echter zeker niet onoverkomelijk vanuit deelnemersperspectief.

Ten eerste de discussie over de doorsneesystematiek. De overgang naar een leeftijdsonafhankelijke premie leidt voor álle huidige pensioenfondsdeelnemers tot een  achteruitgang. Zij missen immers op oudere leeftijd de sponsoring die zij, onder het huidige systeem, zelf hebben gedaan aan de oudere generatie. Het CPB becijferde dit nadeel in 2013 op 100 miljard euro, maar in 2017 was dit op grond van nieuwe uitgangspunten gedaald tot 55 miljard euro6. Nog steeds een bedrag dat een onoplosbaar probleem impliceert. Een blik op deelnemersniveau maakt het echter mogelijk wel oplosbaar, als we kijken naar de pensioenaanspraak. De grootste achteruitgang hiervan bedraagt 5,5% van het aanvullend pensioen en treft de generatie 35-50 jaar. Met een AOW die voorziet in 50% van het pensioeninkomen, is er dus een inkomensachteruitgang van 2,75%. Ofwel circatwee keer gemiste indexatie (inmiddels wel acceptabel), waar men nog ruim twintig jaar heeft om eventuele maatregelen te treffen tegenhet lagere pensioeninkomen. Zo bezien is de afschaffing van de doorsneesystematiek geen onoverkoombaar obstakel.

Ten tweede wordt de nieuwe opzet benoemd als beschikbare premieregeling en werkt het imago van beschikbare premieregelingen niet mee. Dergelijke regelingen worden van oudsher geassocieerd met hoge kosten en lage pensioenen. Het kostenimago van beschikbare premieregelingen strookt echter niet meer met de huidige praktijk. En de lage pensioenen zijn met name te wijten aan de veel lagere premie inleg bij deze regelingen en niet aan het karakter van de onderliggende regeling. Met goede uitleg zouden deze tegenwerpingen een overgang naar een nieuw pensioenstelsel niet in de weg mogen staan. Het woord “individueel” als toevoeging voor de deelnemerskapitalen helpt hierbij zeker niet en suggereert ten onrechte dat schaalvoordelen van beleggingen uitvoering zouden verdwijnen in het nieuwe stelsel. Ook de deling van technische risico’s (arbeidsongeschiktheid, overlijden) blijft gewoon gehandhaafd!

Ten derde wordt de angst voor verkeerde deelnemerskeuzes als bottleneck voor verandering gezien. Zoals de ervaringen uit Denemarken en Australië ons tonen, is deze angst ongegrond en leidt een goede (paternalistische) default tot uitstekende resultaten.

Ten vierde de benoeming van “pech- en gelukgeneraties” die zouden ontstaan bij het nieuwe stelsel, waarbij de ene generatie beter af is dan de andere. Ook deze angst is ongegrond. Het zijn de resultaten van de beleggingsmix die uiteindelijk bepalen wat aan de deelnemers ter beschikking gesteld kan worden. In een nieuw stelsel is het nog steeds mogelijk om (als default) voor iedereen dezelfde beleggingsmix te hanteren, waarmee eenieder dus feitelijk dezelfde pensioenuitkomsten krijgt. Zo er al “pech- en gelukgeneraties” zouden ontstaan, zouden die ook ontstaan bij handhaving van het huidige stelsel. Naar mijn persoonlijk oordeel is vanwege redenen van gelijkheid een dergelijke collectieve mix ook te prefereren boven een zogenoemde “life-cycle” met een leeftijdsafhankelijke beleggingsmix.

Ten vijfde wordt Europa vaak genoemd als dreiging voor de verplichtstelling en wordt hiermee een regeling nodeloos ingewikkeld gemaakt om solidariteitscomponenten te creëren. Zo ligt in de SER-variant nog voor of in de opbouwfase (naar mijn oordeel nodeloze) buffers gebruikt moeten worden. Denemarken (met een niet aangevochten verplichtstelling) toont ons aan dat dit argument geen beletsel moet zijn voor de nationale pensioenwensen, waarmee het nog wel voer voor juristen zal blijven.

Ten zesde zullen er altijd partijen zijn die zeggen dat het huidige stelsel prima functioneert en die verandering in de weg zullen staan. Dit zullen met name de pensioenfondsen zijn met goede financiële posities, die dus ook nog steeds hun ambities hebben kunnen waarmaken. Een “gevaar” is dat de financiële positie van meer pensioenfondsen zal verbeteren, waardoor de noodzaak van aanpassing niet meer wordt gezien. Echter, met de huidige structuur zullen in de toekomst dan opnieuw teleurstellingen volgen bij nieuwe financiële crises. Beter is dan ook om te bezien hoe de verandering ook voor deze pensioenfondsen “pijnloos” gemaakt kan worden, hetgeen zeker mogelijk is. Het kabinet heeft al aangegeven een ruime fiscale facilitering voor te staan, waarmee bijvoorbeeld bijstorting voor pensioenfondsen nog kan blijven bestaan en werkgevers de mogelijkheid blijven houden (via arbeidsvoorwaarden) een leeftijdsbewust personeelsbeleid vorm te geven.

De laatste bottleneck zijn de berekeningen die bij de nieuwe varianten worden gemaakt. Afhankelijk van het scenario dat wordt beschouwd, zullen er altijd groepen deelnemers zijn die een lagere pensioenuitkomst gaan ontvangen in het nieuwe stelsel, de verdelingsmethodiek wordt immers aangepast. Echter, dit mag geen beletsel vormen tot verandering. Een nieuw stelsel moet redelijk robuust zijn in de uitkeringsfase en moet een toeslagpotentieel bieden, maar berekeningen moeten niet gebruikt worden om generatietegenstelingen te creëren. Uiteindelijk kijkt nu ook niemand meer terug wat bijvoorbeeld de eindloonregelingen van weleer voor verschillende generaties nu betekend zouden hebben.

De praktijk geeft aan dat genoemde bottlenecks overkomelijk zijn. Sommige pensioenregelingen geven daarbij de trend aan voor het toekomstig stelsel. Zo is reeds in 2013 bij Shell het IDC pensioenfonds geïntroduceerd, dat qua opzet dicht aan ligt tegen de SER-variant. En het grootste Nederlandse pensioenfonds, ABP, toont vanaf 1 januari 2018 de pensioenpot per deelnemer die men heeft gereserveerd, ter voorbereiding op een verdere transitie naar een nieuw systeem met individuele pensioenvermogens in de opbouwbase.

5. CONCLUSIE

Hoe mooi onze nummer 2 positie op de wereldranglijst ook is, er blijft altijd ruimte voor verbetering van ons systeem. Met name op het gebied van deelnemersvertrouwen is nog veel te winnen en dit element maakt verandering noodzakelijk. Hierbij moeten we ervoor waken dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid en verbeterpunten dus concentreren op de huidige pijnpunten. In dit artikel heb ik enige verbeterpunten aangereikt voor een nieuwe opzet van het pensioensysteem met een individuele opbouw- en collectieve uitkeringsfase. De voorgestelde opzet, waarmee de SER-variant veel overeenkomsten vertoont, is in de basis geen revolutie, maar eerder een evolutie van het systeem waarin de goede elementen behouden blijven. Of de door het kabinet gekozen weg via het sociale partneroverleg op de gewenste termijn (2020) tot resultaten leidt, valt te bezien. Een holistische blik op het pensioenstelsel, dat in basis niets anders is dan definiëring van een verdelingsmechanisme van de ingelegde premies naar pensioenuitkering, kan beleidsmakers helpen bij de noodzakelijke pensioenhervorming. Een effectieve maatregel en katalysator zou kunnen zijn dat in 2020 het fiscaal kader wordt aangepast naar een leeftijdsonafhankelijk premiekader, waarmee indirect een nieuw pensioencontract kan worden afgedwongen. In dit artikel is betoogd dat een dergelijke stap zeker niet onverantwoord is.