Eind augustus heeft DNB - tot verrassing van velen - bekendgemaakt dat vanaf 1 januari 2021 de nieuwe UFR curve met daarin een aangepaste Ultimate Forward Rate (“de UFR”) stapsgewijs zal worden ingevoerd. Wat zijn de gevolgen voor de pensioenfondsen?

 

Wat gaat er gebeuren?

 

De UFR  is een theoretische schatting voor de rente op de lange termijn en vormt een belangrijk onderdeel bij het construeren van de door DNB voorgeschreven rentetermijnstructuur die gebruikt wordt om de waarde van de pensioenverplichtingen (en dus ook de dekkingsgraad) te berekenen.

 

Tot de nieuwe UFR curve werd vorig jaar besloten naar aanleiding van het advies van de Commissie Parameters onder leiding van oud-minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem. Door enkele technische aanpassingen in de berekeningsmethodiek van de curve, komt deze lager te liggen dan de huidige UFR curve. Zo kent de nieuwe curve een lagere UFR (1.7% vs 1.9%) en begint deze pas vanaf een looptijd van 30 jaar af te wijken van de marktcurve in plaats vanaf de huidige 20 jaar.  Ook de snelheid waarmee de nieuwe UFR curve vanaf 30 jaar naar de UFR toegroeit, is afgenomen. Deze aanpassingen drukken - ieder voor zich -  de nieuwe curve naar beneden ten opzichte van de huidige.

 

De lagere rentetermijnstructuur onder de nieuwe methodiek heeft evident nadelige gevolgen. Om deze over de tijd te spreiden heeft DNB ervoor gekozen om de nieuwe UFR curve geleidelijk in te voeren. Over de periode 2021-2024 zal de nieuwe UFR curve in vier gelijke stappen worden ingevoerd. Dit betekent dat pas op 1 januari 2024 de nieuwe UFR curve volledig zal zijn ingevoerd.

 

De geleidelijke invoering wordt vormgegeven door de rentetermijnstructuur op basis van de huidige methodiek te ‘blenden’ met de rentetermijnstructuur op basis van de nieuwe methodiek. De weging van de nieuwe UFR curve wordt daarbij stapsgewijs groter zoals weergegeven in onderstaande tabel:

In de onderstaande grafiek is het effect op de rentetermijnstructuur weergegeven waarbij de door DNB voorgeschreven curve stapsgewijs naar beneden komt en uiteindelijk nog maar weinig verschilt met de marktcurve.

 

Wat voor impact gaat dit hebben voor pensioenfondsen?

 

Een lagere rentetermijntructuur geeft een hogere waardering van de pensioenverplichtingen en lagere dekkingsgraad. Per 31 augustus 2020 bedroeg de door Mercer berekende dekkingsgraad voor het gemiddelde Nederlandse pensioenfonds 96%. Op basis van de nieuwe UFR curve (volledige implementatie) zou de dekkingsgraad 92% bedragen. De impact van de nieuwe methodiek zal daarmee naar verwachting minus 1%-punt dekkingsgraad per invoeringstap zijn. Voor pensioenfondsen met een ouder deelnemersbestand zal de daling mogelijk iets minder zijn, voor pensioenfondsen met een jonger deelnemersbestand zal deze juist sterker kunnen zijn.

 

Naast de impact op de dekkingsgraad heeft de geleidelijke invoering van de nieuwe UFR curve ook directe gevolgen voor pensioenfondsen die het renteafdekkingsbeleid hebben gebaseerd op de UFR curve. De nieuwe methodiek geeft naast een hogere waardering van de verplichtingen ook een stijging van de rentegevoeligheid (uitgedrukt in DV01) en een verandering in de verdeling daarvan over de verschillende looptijdsegmenten.

 

In de onderstaande grafiek is het effect op een (voorbeeld) rente-afdekking op basis van de UFR curve weergegeven. Bij iedere invoeringsstap zal de afdekking lager komen te liggen en ook op dit aspect zal er na de volledige invoering per 1 januari 2024 nog maar nauwelijks verschil zijn met een rente-afdekking op basis van marktrente. Indien deze verlaging van de rente-afdekking niet wenselijk is, zal een pensioenfonds het beleid bij iedere stap moeten aanpassen. Voor pensioenfondsen met een afdekkingsbeleid op basis van marktrente zal er geen directe impact zijn, alhoewel zij zich wel moeten realiseren dat bij ongewijzigd beleid de dekkingsgraad op basis van UFR volatieler zal worden.


In de onderstaande grafiek wordt de rentegevoeligheid per looptijdsegment van de verplichtingen voor een gemiddeld Nederlands pensioenfonds weergegevnen, hier uitgedrukt in DVO1. (Mutatie in de waardering per basispunt daling van de marktrente. Een DV01 van 100 betekent dat als de rente met 0.01% daalt, de waardering met 100 euro toeneemt)

Onder de nieuwe methodiek neemt de rentegevoeligheid toe en verandert de verdeling ervan over de looptijdsegmenten. Ten opzichte van de huidige UFR curve daalt de DV01 op het 20 en 25 jaars looptijdsegment en neemt deze toe vanaf het 30-jaars looptijdsegment. Pensioenfondsen dienen rekening te houden met deze verschuivingen teneinde additioneel, ongewenst curverisico te voorkomen.

 

De belangrijkste aandachtspunten voor pensioenfondsen samengevat:

 

  1. De invoering van de nieuwe UFR curve leidt voor alle pensioenfondsen tot een lagere dekkingsgraad.
  2. De invoering van de nieuwe methodiek zal leiden tot een volatielere dekkingsgraad.
  3. Bij een renteafdekkingsbeleid op basis van de UFR curve zal de invoering van de nieuwe methodiek - bij ongewijzigd beleid - leiden tot een lagere renteafdekking.
  4. Bij een renteafdekkingsbeleid op basis van de UFR curve zal de invoering van de nieuwe methodiek - bij ongewijzigd beleid – leiden tot additioneel curverisico.

Graag helpen wij u om de gevolgen van de nieuwe UFR methodiek in kaart te brengen - zoals een stijgende volatiliteit van de dekkingsgraad - en te anticiperen op de wijzigingen vanaf januari 2021. Neem hiervoor vrijblijvend contact op met Mario Overduin (mario.overduin@mercer.com) of vul onderstaand contactformulier in. 

Mario Overduin
Mario Overduin
Senior Investment Consultant, Mercer
Contact ons