Onze Deskundigheid /

Calendar

NEWS FLASH WETSVOORSTEL IMPLEMENTATIE IORP II GEPUBLICEERD

 

Inleiding

Op vrijdag 13 april 2018 is het wetsvoorstel ter implementatie van IORP II gepubliceerd. In de volksmond genoemd IORP II, maar voluit Richtlijn 2016/2431/EU betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's), is een Europese richtlijn die bedoeld is ter bevordering van de verdere ontwikkeling van tweede pijler pensioenen in Europa.

De richtlijn is een vernieuwing en aanscherping van de al bestaande richtlijn 2003/41/EG, in de volksmond ook wel bekend als de pensioenfondsenrichtlijn of de IORP-richtlijn. Een bekend voortvloeisel van die eerdere richtlijn is bijvoorbeeld ons financiële toetsingskader voor pensioenfondsen.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de richtlijn niet te laten zien op verzekeraars, net als bij de eerdere richtlijn. In Nederland ziet de richtlijn dus op pensioenfondsen en PPI’s, zij het dat de wetgeving die wordt geïmplementeerd voor de communicatie ook weer gaat gelden voor verzekeraars.

De richtlijn is niet rechtstreeks bindend voor Nederlandse pensioenuitvoerders. Daartoe moet de richtlijn in Nederlandse wetgeving zoals de Pensioenwet worden vertaald. Dat moet uiterlijk 13 januari 2019 zijn gebeurd, vandaar dit wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel brengt drie belangrijke nieuwe elementen met zich mee:

  1. een aanscherping van pensioencommunicatie;
  2. een verduidelijking en aanscherping van grensoverschrijdende waardeoverdracht;
  3. een aanscherping van de governance regels voor (in ons geval met name) pensioenfondsen waaronder de introductie van een drietal sleutelfuncties, te weten een risicobeheerfunctie, een interne auditfunctie en een actuariële functie.

De pensioencommunicatie zal voor alle pensioenuitvoerders gaan gelden (dus ook voor verzekeraars). Daarom komt die als eerste aan de orde.

De regels voor een grensoverschijdende waardeoverdracht gelden alleen als de betrokken pensioenuitvoerder een pensioenfonds of PPI is, dus komt die als tweede aan de orde.

Hieronder worden alleen de belangrijkste punten behandeld. In de advisering zal vaak een nadere uitwerking wenselijk zijn.

Pensioencommunicatie

Het wetsvoorstel heeft onder andere gevolgen voor de aanvangsinformatie die een deelnemer krijgt, het UPO, voor de informatie bij wijziging van het pensioenreglement, voor de verstrekking van de verklaring beleggingsbeginselen op de website van de pensioenuitvoerder en voor het doorvoeren van kortingen bij pensioenfondsen.

Aanvangsinformatie (voormalige startbrief)

De aanvangsinformatie was een gedeelde verantwoordelijkheid van de werkgever en de pensioenuitvoerder. Dat wordt zodanig gewijzigd dat de pensioenuitvoerder verantwoordelijk is (wat in de praktijk meestal al zo werkt). Daar hoort wel bij dat de werkgever de pensioenuitvoerder moet informeren over het aangaan van een pensioenovereenkomst (aanmelden deelnemer). De termijn van drie maanden na aanvang van de pensioenverwerving voor het verstrekken van de informatie door de pensioenuitvoerder blijft ongewijzigd.

UPO

Waar het bereikbare pensioen uit het UPO was geschrapt komt deze met dit wetsvoorstel weer terug en wel in drie scenario’s, een pessimistisch, een verwacht en een optimistisch scenario. Dit kennen wij al uit het verleden van de bechikbarepremieregelingen. De zogenoemde uniforme rekenmethodiek, die met de Wet pensioencommunicatie werd geïntroduceerd maar nog steeds niet is geïmplementeerd, zal volgens de toelichting bij het wetsvoorstel tegelijk met de invoering daarvan dan eindelijk het licht gaan zien. Een verschil is wel dat volgens de Wet pensioencommunicatie die scenario’s in het pensioenregister zouden worden weergegeven, terwijl ze nu (ook) op het UPO zelf komen.

De pensioenuitvoerder moet daarbij op verzoek van de (gewezen) deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde inzage geven in de gehanteerde aannames die zijn gebruikt.

Het UPO zal aan gewezen deelnemers vaker moeten worden verstrekt, namelijk jaarlijks in plaats van eens in de vijf jaar. Een uitvoerder kan er daarbij evenwel voor kiezen om jaarlijks de informatie in het webportal van de gewezen deelnemer te plaatsen en kan dan eens in de vijf jaar volstaan met een gebruikelijk UPO.

Daarnaast wordt het UPO uitgebreid met:

  1. informatie over de werkgevers- en werknemerspremie (bij deelnemers);
  2. informatie over de ingehouden kosten bij een premieovereenkomst (bij deelnemers);
  3. informatie over garanties ofwel welke risico’s de aanspraakgerechtigde loopt ten aanzien van de hoogte van zijn pensioen;
  4. informatie over de dekkingsgraad in geval van een pensioenfonds.

Wijziging pensioenregeling/pensioenreglement

Binnen drie maanden na wijziging van de pensioenregeling moet de pensioenuitvoerder de deelnemer informeren over die wijziging en over de mogelijkheid het pensioenreglement op te vragen op de daarvoor voorgeschreven wijze.

Voor gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden is dat momenteel drie maanden na wijziging van het toeslagenbeleid. Dat wordt gewijzigd in algemene zin naar drie maanden na een wijziging in het pensioenreglement. Dat kan natuurlijk om meer zaken gaan dan alleen een wijziging van het toeslagenbeleid.

Verklaring beleggingsbeginselen

De verklaring beleggingsbeginselen moet onder de huidige wetgeving al zijn opgenomen op het gesloten deel van de website van de pensioenuitvoerder (beschikbaar voor (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden). Met dit wetsvoorstel moet deze verklaring op het openbare deel van de website komen.

Korting opgebouwde aanspraken/rechten

Voor het doorvoeren van kortingen geldt momenteel een termijn van een maand nadat de (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden daarover zijn geïnformeerd. Voor pensioengerechtigden wordt dit (in lijn met de richtlijn) een termijn van drie maanden. Het kabinet acht dat verschil gerechtvaardigd omdat voor pensioengerechtigden de gevolgen direct voelbaar zijn en heeft daarom niet voor iedereen de termijn verlengd naar drie maanden.

Verder wordt toegevoegd dat het pensioenfonds onverwijld moet informeren over een besluit tot korting.

grensoverschrijdende Waardeoverdracht

De regels omtrent een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling in een andere lidstaat worden aanzienlijk uitgebreid. Veel van de regels gelden echter al door de wijze waarop dit door de toezichthouders reeds in de praktijk wordt afgehandeld. Deze regels worden nu alleen ook duidelijk wettelijk vastgelegd. Dat geeft in ieder geval meer inzicht in het proces. Die procedurele regels worden hieronder niet behandeld. In een waardeoverdrachttraject zullen die uiteraard wel moeten worden nageleefd.

Goedkeuring (vertegenwoordigers van) betrokkenen

Belangrijk nieuw element is dat de pensioenuitvoerder de betrokkenen tijdig moet informeren over de voorgenomen waardeoverdracht en de daaraan verbonden voorwaarden.

Volgens de richtlijn geldt vervolgens dat de overdracht moet worden goedgekeurd door: “een meerderheid van de betrokken deelnemers en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers.

Het kabinet werkt dat vrij minimaal uit door als vertegenwoordigers te noemen:

  • Bij een pensioenfonds de geleding deelnemers en pensioengerechtigden van het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan.
  • Bij een PPI de ondernemingsraad (uiteraard als deze er is).

Daarbij kan worden opgemerkt dat het verantwoordingsorgaan al een adviesrecht hierover heeft en het belanghebbendenorgaan al een goedkeuringsrecht. De meerwaarde bij een pensioenfonds lijkt dus dat een verantwoordingsorgaan de overdracht nu ook kan blokkeren en dat de werkgeversvertegenwoordigers zich van stemming moeten onthouden.

De wetsartikelen over de verantwoordelijkheden van deze organen worden hiermee in lijn gebracht.

Een ondernemingsraad heeft op basis van de in 2016 gewijzigde WOR al een instemmingsrecht inzake wijzigen, beëindigen of aangaan van regelingen in een uitvoeringsovereenkomst die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst, hetgeen bij een collectieve waardeoverdracht al snel het geval  zal zijn. In de toelichting bij dit wetsvoorstel wordt dit ook bevestigd door het kabinet.
Daarmee voldoet deze wijziging aan de bedoeling van het kabinet om de richtlijn zo minimaal mogelijk te implementeren in de Nederlandse wetgeving, maar kunnen wellicht vraagtekens worden gezet bij de realisatie van de doelstelling van dit soort regels. Als de waardeoverdracht bijvoorbeeld betrekking heeft op een deelpopulatie van een pensioenfonds, lijkt dit wel een erg magere invulling, nu een dergelijk orgaan vaak een heel beperkte omvang heeft en vermoedelijk geen evenwichtige representatie zal zijn van alle betrokkenen. Dat is in zijn algemeen bezien een mogelijk bezwaar bij deze invulling van een meerderheid van de vertegenwoordigers.

De betrokkene houdt individueel de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de waardeoverdracht, waarmee voor hem die waardeoverdracht dan niet zal plaatsvinden. Dat geldt niet bij liquidatie. In dat geval kan de betrokkene geen bezwaar maken en geldt dus straks alleen de vereiste collectieve goedkeuring.

Minimaal gelijke aanspraken

Bij een binnenlandse collectieve waardeoverdracht geldt het beginsel van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. Bij grensoverschrijdende waardeoverdrachten moeten de aanspraken of rechten na de overdracht minimaal gelijk zijn. Dat geeft dus niet de mogelijkheid om bij de waardeoverdracht wijzigingen in de aanspraken of rechten aan te brengen om deze zo binnen de opzet van de overnemende instelling te brengen. Eventuele omzettingen om dat te realiseren zullen daarvoor dus moeten zijn gedaan (met inachtneming van de geldende regels voor, in de regel, een interne waardeoverdracht).

Kosten waardeoverdracht

De kosten van de waardeoverdracht mogen niet ten laste van de achterblijvers komen.

Governance pensioenfondsen

Belangrijkste nieuwe onderdeel van de governance van pensioenfondsen is het benoemen van zogenoemde sleutelfuncties, hetgeen afkomstig is uit de regels van de Wet op het financieel toezicht voor verzekeraars. De sleutelfuncties zijn een onderdeel van beheerste en integere bedrijfsvoering en zorgen ervoor dat de hiermee benoemde belangrijke onderdelen van het risicobeheer binnen een pensioenfonds beter ingekaderd worden in het governancemodel.

Sleutelfuncties

Het pensioenfonds moet beschikken over drie sleutelfuncties:

  • de risicobeheerfunctie;
  • de interne auditfunctie;
  • de actuariële functie.

Houder van de sleutelfunctie

Het kabinet maakt onderscheid tussen de houder van de functie en personen die de functie vervullen, waarbij met dit laatste bedoeld wordt het uitoefenen van werkzaamheden in het kader van de functie. De meeste regels hebben betrekking op de houder van de functie maar een aantal dus ook op de personen/organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de (ondersteunende) werkzaamheden.

Een sleutelfunctie kan binnen een pensioenfonds ook door een bestuurder worden uitgeoefend. Kijken wij naar de richtlijn dan kunnen sleutelfuncties ook worden gecombineerd door één persoon, behalve voor de interne auditfunctie.

Voor werkzaamheden van een sleutelfunctie die worden uitbesteed gelden de normale uitbestedingsregels. Dat betekent onder anderen dat in lijn met artikel 12 van het Besluit financieel toetsingskader geen werkzaamheden mogen worden uitbesteed van personen die het dagelijks beleid bepalen en geen werkzaamheden waarvan de uitbesteding de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds voor de beheersing van bijvoorbeeld de bedrijfsprocessen kan ondermijnen.

In dat verband concludeert het kabinet dat het houderschap van de sleutelfunctie in geval van de risicobeheerfunctie en de interne auditfunctie doorgaans niet kunnen worden uitbesteed.

Over de actuariële functie laat het kabinet zich in dit verband niet nader uit, hetgeen lijkt te suggereren dat zij uitbesteding van het houderschap (aan bijvoorbeeld de certificerend actuaris) mogelijk acht. Meer hierover bij de uitwerking van de actuariële functie..

Inhoud van de sleutelfuncties

Wat de sleutelfuncties precies behelzen wordt nog uitgewerkt in lagere regelgeving. Kijken wij naar de richtlijn dan krijgen we het volgende beeld:

Risicobeheerfunctie

De risicobeheerfunctie beoordeelt, monitort en rapporteert over het risicobeoordelingssysteem. Ook heeft de risicobeheerfunctie een initiërende en adviserende rol bij het vormgeven van het risicobeheer. Hier wordt feitelijk de uitwerking van de beheerste en integere bedrijfsvoering beschreven zoals deze al is neergelegd in de Pensioenwet en door pensioenfondsen veelal al zal worden gevoerd. In feite zal dit dus vermoedelijk geen grote wijzigingen vergen, maar alleen het concreet benoemen van de sleutelfunctie.

Interne auditfunctie

De interne auditfunctie is belast met het uitvoeren van (interne) audits binnen de bedrijfsvoering van een pensioenfonds. In het kader van deze functie wordt onder meer geëvalueerd of het internecontrolesysteem en andere onderdelen van het vastgelegde governancesysteem, in voorkomend geval met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn.

Actuariële functie

De actuariële functie dient onder meer toe te zien op de berekeningen van de technische voorzieningen en premiestelling van een pensioenfonds. De actuariële functie vertoont veel overlap met de rol van de certificerend (in termen van de Pensioenwet, waarmerkend) actuaris. In grote lijnen gaat het daarbij om controle van de financiële opzet van het fonds en de daartoe aangegane verzekeringen.

Vanwege die overlap wordt een uitzondering gemaakt op de bestaande afbakening van de werkzaamheden van de waarmerkend actuaris. Momenteel mag een waarmerkend actuaris geen andere werkzaamheden voor een pensioenfonds uitoefenen dan de werkzaamheden die nodig zijn om tot waarmerking van de actuariële staten te komen. Met dit wetsvoorstel wordt het de waarmerkend actuaris toegestaan voortaan ook andere werkzaamheden voor het pensioenfonds te verrichten, voorzover het gaat om werkzaamheden van de actuariële functie.

Let wel dat hier over werkzaamheden wordt gesproken en niet over het zijn van houder van die sleutelfunctie.

Bij uitbesteding van het houderschap hebben wij momenteel nog enige twijfels omdat de actuariële functie ook coördinatie van en toezicht houden op de berekening van de technische voorzieningen en een bijdrage aan de doeltreffende implementatie van het risicobeheersingssysteem behelst. Dat lijken naar zijn aard zaken waarvan uitbesteding moeilijk kan zijn als het om het beheer van die functie gaat. Het verloop van de wetsbehandeling zal leren hoe het kabinet hier tegenaan kijkt.

Geschiktheid en betrouwbaarheid

Degenen die een sleutelfunctie uitoefenen moeten geschikt en betrouwbaar zijn. Dat geldt dus niet alleen voor de houder maar ook voor de personen die werkzaamheden in het kader van die sleutelfunctie verrichten.

Het pensioenfonds zal dat zelf moeten bewaken, maar de toezichthouder kan een toetsing doen als hij dat nodig vindt.

Verantwoordelijkheden sleutelfunctie

Naast uiteraard het vervullen van de inhoud van de functie moet de sleutelfunctionaris rapporteren over zijn bevindingen aan het bestuur maar als de houder van een sleutelfunctie een bestuurder is aan het interne toezicht. Als het bestuur nalaat actie te nemen op basis van de bevindingen en dit een substantieel risico inhoudt dat wettelijke bepalingen of vereisten niet worden nageleefd, dan moet de houder van de sleutelfunctie dat in bepaalde omstandigheden melden aan de toezichthouder.

Stresstest en bewaarder

De toezichthouder kan een pensioenfonds verplichten een stresstest uit te voeren. Met die stresstest kan in kaart worden gebracht hoe de financiële omstandigheden van een pensioenfonds zich ontwikkelen onder verschillende scenario’s van de financiële markten.

Het wordt een pensioenfonds mogelijk gemaakt desgewenst een bewaarder aan te stellen, in lijn met de regels die daarvoor gelden voor een PPI bij het aanstellen van een pensioenbewaarder. Overigens verwacht het kabinet niet dat pensioenfondsen hier in de toekomstig (veelvuldig) gebruik van zullen willen gaan maken en dat is ook in lijn met onze verwachtingen. Dit onderdeel werken wij daarom niet verder uit.