WETSWIJZIGINGEN AANGAANDE UW PENSIOENREGELING

VOORJAAR 2021

ALLE WETSWIJZIGINGEN WAAR U VANAF MOET WETEN OP EEN RIJ

Via regelmatige updates stelt Mercer u op de hoogte van alle wetswijzigingen die invloed hebben op uw pensioenregeling. In deze update gaan wij in op ontwikkelingen op juridisch- en fiscaal gebied.

 

Ontwikkelingen Pensioenakkoord 

 

Op 16 december 2020 is het concept-wetsvoorstel tot herziening van de tweede pijler van het pensioenstelsel (“Wet toekomst pensioenen”) door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter consultatie neergelegd. In dit consultatiedocument is nader uitgewerkt wat in de “Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord” van 22 juni 2020 is afgesproken.

 

Particulieren en organisaties konden tot uiterlijk 12 februari 2021 op de ontwerpwetgeving reageren. Dit is massaal gebeurd. Maar liefst 481 reacties zijn ingestuurd. Minister Koolmees is voornemens om na de zomer van dit jaar een definitief wetsvoorstel naar de Tweede Kamer sturen. De intentie is om de wetgeving per 1 januari 2022 in werking te laten treden.

 

Hieronder geven wij u nog kort een overzicht van enige relevante punten uit de concept-wetgeving.

 

Het nieuwe contract en verbeterde premieovereenkomst

 

In het nieuwe stelsel zijn alleen nog maar pensioenovereenkomsten op basis van een beschikbare premie gefaciliteerd. Eindloon en middelloon behoren derhalve definitief tot het verleden. Voor alle deelnemers geldt een leeftijdsonafhankelijke premie. Er zijn in het nieuwe stelsel 4 soorten premieregelingen mogelijk waarbij het nieuwe pensioencontract alsmede de verbeterde premieregeling de belangrijkste zijn.

 

Maximale premie  

 

De hoogte van de pensioenpremie wordt gemaximeerd en bedraagt niet meer dan 30% van de pensioengrondslag. Dit percentage geldt in beginsel tot 2036. Bovenop deze premie komen nog o.a. administratiekosten en risicopremies, die apart betaald mogen worden. Tot 2036 geldt een verhoogde vrijstelling tot 33%. Het verschil tussen de reguliere premie en 33% kan worden gebruikt als compensatie voor de overgang naar het nieuwe stelsel.

 

 

Overgangsrecht

 

In het consultatiedocument is het overgangsrecht nader uitgewerkt. Alle huidige, voor 2022 bestaande beschikbare premieregelingen met een progressieve (stijgende) premie worden van de eis dat de premie leeftijdsonafhankelijk moet zijn, uitgezonderd. Ook na 1 januari 2026 mag een progressieve premie betaald worden voor deelnemers die op 31 december 2025 deelnemer waren. Voor nieuwe deelnemers geldt vanaf 1 januari 2026 een leeftijdsonafhankelijke premie.

 

Voorts mogen uitkeringsregelingen (eindloon en middelloon) die ondergebracht zijn bij een verzekeraar nog voor 1 januari 2026 worden omgezet in een beschikbare premieregeling met een progressieve premie. Ook hier geldt dat na 1 januari 2026 een progressieve premie betaald mag worden voor deelnemers die reeds op 31 december 2025 deelnemer waren.

 

Tip

Heeft u voor uw nieuwe medewerkers een beschikbare premieregeling met leeftijdsafhankelijke premie? En heeft u voor uw medewerkers die al wat langer in dienst zijn een uitkeringsregeling die niet bij een verzekeraar is ondergebracht maar bij een pensioenfonds? Dan moet u dit jaar aan de slag als u gebruik wilt maken van het overgangsrecht!

Aan de slag


Veel bedrijven laten op dit moment verkennende berekeningen uitvoeren om inzichtelijk te krijgen wat de kosten- en benefit impact is van een overstap op een vlakke premie per 2022 of per 2026. Naast nieuwe toetreders is het interessant om te zien wat het effect is als de gehele populatie (dus ook de huidige groep deelnemers) zou overstappen. In het laatste geval leidt dit tot compensatie waarbij bij de invulling hiervan veelvuldig wordt gekeken naar de verruimde verlofspaarmogelijkheden al dan niet in combinatie met de tijdelijke RVU vrijstelling.

Het voordeel van eenzelfde pensioenregeling met een vlakke premie voor alle werknemers is dat het arbeidsvoorwaardenpakket eenvoudiger is te flexibiliseren, er kan dan namelijk met budgetten worden gewerkt. Mercer heeft alle expertise in huis om u daarmee te helpen.

 

Nabestaandenpensioen

 

In het concept-wetsvoorstel “Wet toekomst pensioenen” wordt voorzien in nieuwe regels inzake het nabestaandenpensioen. Deze zijn voor een groot deel gebaseerd op aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid van 17 juni 2020.

 

Uitgangspunt is om de regels eenvoudiger te maken en de financiële positie van nabestaanden te verbeteren. Hieronder treft u de belangrijkste zaken aan.  

 

Partnerpensioen voor de pensioendatum

 

Op basis van het wetsvoorstel wordt het partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum  altijd verzekerd middels een risicoverzekering.

Het partnerpensioen is niet meer afhankelijk van de diensttijd van de werknemer en bedraagt maximaal 50% van het salaris, waarbij een maximum salaris van € 112.189 (2021) in acht wordt genomen. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met een franchise.  

 

Partnerpensioen na de pensioendatum

 

Het partnerpensioen dat ingaat na de pensioendatum blijft ongewijzigd: 70% van het ouderdomspensioen (opbouwbasis). 

 

Wezenpensioen

 

Het maximumbedrag voor het wezenpensioen gaat naar 20% van het salaris van de deelnemer. Voor volle wezen wordt dit bedrag verdubbeld. Voor het wezenpensioen komt een vaste eindleeftijd van 25 jaar (nu nog 30 jaar).

 

De nieuwe regels met betrekking tot het nabestaandenpensioen moeten uiterlijk per 1 januari 2026 zijn ingevoerd.

 

Uniform partnerbegrip

 

Omdat het veelal per pensioenregeling verschillend is wanneer men als “partner” kan worden aangemerkt, wordt voorgesteld om een uniform partnerbegrip in de nieuwe wetgeving op te nemen.

 

De volgende partnerrelaties zijn mogelijk:

  • Gehuwd of geregistreerd
  • Ongehuwd samenwonen op hetzelfde adres met een notariële akte
  • Ongehuwd samenwonen op hetzelfde adres zonder een notariële akte gedurende minimaal zes maanden

·       Partner is geen bloedverwant in de 1e of 2e graad

Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

 

De wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen regelt de afkoop van 10% van de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen, een tijdelijke vrijstelling van de 52% RVU-heffing voor werkgevers en een uitbreiding van verlofsparen van 50 naar 100 volle weken.

 

Wij berichtten u in onze herfst uitgave hier reeds uitgebreid over toen het wetsvoorstel nog niet was aangenomen door de Tweede- en de Eerste Kamer. Inmiddels is dit wel gebeurd en is de wet met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 in werking getreden.

 

Van belang is nog om op te merken dat in de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel een extra keuzemoment is ingevoerd inzake de afkoop van 10% van het ouderdomspensioen. Afkoop kan nu niet alleen plaatsvinden op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar ook in de maand februari in het jaar volgend waarop de AOW-datum is bereikt. Het effect is dat er dan geen AOW-premie is verschuldigd over het bedrag ineens. De keuze dient altijd voor de ingang van het ouderdomspensioen plaats te vinden.

 

Voorts merken wij nog op dat de inwerkingtreding van het onderdeel dat ziet op de afkoop van 10% van het ouderdomspensioen niet in het inwerkingtredingsbesluit is geregeld. Dit onderdeel zal op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. De beoogde inwerkingtredingsdatum is overigens 1 januari 2023.

 

Levensloopregeling

 

De levensloopregeling is in 2006 als onderdeel van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT- en prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling ingevoerd om werknemers de mogelijkheid te bieden om fiscaal gefaciliteerd te sparen voor onbetaald verlof.

Totaal mocht 210% van het bruto jaarloon in de levensloopregeling worden ingelegd. Vanaf het jaar 2012 is deze regeling afgeschaft.

 

Echter, voor deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van ten minste € 3.000 hadden op hun levenslooprekening werd overgangsrecht ingevoerd, inhoudende dat nog gedurende tien jaar kon worden doorgespaard. 

 

In het Belastingplan 2021 is de einddatum van de levensloopregeling om uitvoeringstechnische redenen vervroegd van 1 januari 2022 naar 1 november 2021. Als er op deze datum nog geld op de levenslooprekening staat, wordt dit saldo, onder inhouding van loonheffingen, aan de rechthebbende uitgekeerd.

 

De Wet op de loonbelasting 1964 maakt het echter mogelijk om het levensloopsaldo zonder inhouding van loonheffingen om te zetten in aanvullend pensioen waardoor deze hoge belastingheffing ineens voorkomen kan worden. Dit kan uiteraard slechts voor zover de pensioenuitvoerder dat toestaat en voor zover de totale pensioenaanspraak na de omzetting van het levensloopsaldo binnen de begrenzingen van de fiscale wetgeving blijft. Mercer kan u helpen bij het maken van deze (complexe) berekeningen.

 

De Belastingdienst heeft overigens onlangs (helaas) aangegeven dat het niet mogelijk is om (een gedeelte van) het saldo op de levenslooprekening fiscaal neutraal om te zetten in verlofsparen.

 

Minimale hoogte loongerelateerde uitkering na ontslag

 

Indien na onvrijwillig ontslag van een werknemer een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering wordt ontvangen, kan de periode dat deze uitkering wordt ontvangen meetellen als pensioengevende diensttijd.

 

Voorbeelden van inkomensvervangende loongerelateerde uitkering zijn de WW-uitkering en uitkeringen ingevolge de Ziektewet of de WIA. Aan de Belastingdienst is de vraag gesteld hoe hoog de loongerelateerde uitkering minimaal moet zijn om te voldoen aan de voorwaarden voor voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag.

 

De belastingdienst schrijft hier het volgende over:

 

“Er is in ieder geval sprake van een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering indien de uitkering gelijk is aan de op grond van artikel 21, onderdeel a, van de Participatiewet vast te stellen bijstandsnorm voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder.”

 

Als er sprake is van een gedeeltelijk ontslag, is de minimale uitkering een evenredig deel van de bijstandsnorm. Dit betekent dat wanneer een fulltime dienstverband voor 50% onvrijwillig wordt beëindigd, de loongerelateerde uitkering minimaal 50% van de bijstandsnorm moet zijn om over deze uitkering pensioen te kunnen opbouwen.