Via regelmatige updates stelt Mercer u op de hoogte van alle wetswijzigingen die invloed hebben op uw pensioenregeling. In deze update gaan wij in op ontwikkelingen op juridisch- en fiscaal gebied.

 


Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Het wetsvoorstel bedrag ineens:

1.     RVU en verlofsparen regelt de afkoop van 10% van het pensioen op de pensioendatum;


2.     Een tijdelijke vrijstelling van de 52% RVU-heffing voor werkgevers;


3.     Een uitbreiding van verlofsparen van 50 naar 100 volle weken.;

 

Het wetsvoorstel is door Minister Koolmees op 3 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd.

 

 

Eenmalige uitkering 

De eerste voorgestelde maatregel in het wetsvoorstel is de plicht van iedere Nederlandse pensioenuitvoerder om op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen mee te werken aan een verzoek tot afkoop van maximaal 10% van de waarde van de opgebouwde aanspraken op  ouderdomspensioen. Bij kapitaal- en premieovereenkomsten gaat het om maximaal 10 procent van het kapitaal dat bestemd is voor ouderdomspensioen.

 

Een dergelijke afkoop is momenteel nog niet gefaciliteerd. Over de afkoop betaalt men progressief belasting. Een fiscale strafheffing, in de vorm van revisierente, is niet van toepassing.  

 

De deelnemer kan de afkoopwaarde geheel naar eigen inzicht besteden, bijvoorbeeld om een huis te kopen of te verbouwen dan wel op reis te gaan.

 

De pensioenuitvoerder van de deelnemer is verplicht om het verzoek tot afkoop toe te staan, als er is voldaan aan de volgende voorwaarden:

(i) de afkoop bedraagt maximaal 10% van de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken; 

(ii) afkoop mag alleen plaatsvinden op pensioendatum;

(iii) er mag niet tegelijkertijd gebruik gemaakt worden van de zogenaamde hoog/laag constructie waarbij de uitkeringen kunnen variëren in hoogte;

(iv) het resterende pensioen moet hoger zijn dan de wettelijke afkoopgrens (jaarlijks ongeveer 500 euro, cijfer 2020);

(v) als gedeeltelijke afkoop leidt tot een verlaging van het partnerpensioen heeft een deelnemer toestemming nodig van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen. Men streeft naar inwerkingtreding van deze maatregel  per 1 januari 2022.

 

 

Versoepeling RVU-heffing

Het kabinet en sociale partners hebben samen geconstateerd dat, mede door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd in 2015, met name mensen die bijna de AOW-leeftijd bereiken, overvallen zijn en moeite hebben om gezond werkend de AOW-leeftijd te halen.

 

Het wordt voor werkgevers mogelijk om met oudere werknemers afspraken te maken over het eerder stoppen met werken, zonder dat de werkgever over een toegekende vergoeding een strafheffing (eindheffing) van 52% moet betalen.

 

Van 2021 tot en met 2025 betalen werkgevers geen strafheffing van 52% over regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) tot een bedrag dat netto overeenkomt met de AOW (ongeveer bruto 21.000 euro op jaarbasis). Voorwaarde is dat uittreding plaatsvindt in de laatste drie jaar vóór de AOW-leeftijd. De totale vergoeding over 3 jaar (63.000 euro) kan overigens ook in één keer worden betaald.

 

Voor zover eerder wordt uitgekeerd dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd of anderszins een hoger bedrag wordt uitgekeerd dan hetgeen is vrijgesteld, wordt de regeling voor het gedeelte dat niet voldoet aan de in de wet opgenomen voorwaarden nog steeds aangemerkt als RVU ter zake waarvan de werkgever de strafheffing is verschuldigd.

 

Werknemers krijgen in feite eerder AOW, betaald door de werkgever. Zij kunnen dit zelf aanvullen, bijvoorbeeld door hun aanvullende pensioen eerder in te laten gaan. De maatregel is generiek van aard. Het is dus niet zo dat er een beperking is tot bepaalde branches of (zware) beroepen. De maatregel is beoogd in te gaan per 1 januari 2021.

 

 

Verruiming verlofsparen

Om werknemers meer mogelijkheden te bieden om eerder te stoppen met werken wordt het aantal weken belastingvrij verlofsparen verdubbeld van 50 weken naar 100 weken. Een werkgever kan extra verlof toezeggen door bijvoorbeeld overwerk of ploegendiensten (deels) te belonen met extra verlofopbouw. Spaart een werknemer meer dan vijftig verlofweken, dan moet de werkgever loonheffingen afdragen over het surplus.

 

Het verhogen van deze grens naar honderd weken geeft werknemers meer mogelijkheden om eerder te stoppen met werken of tussentijds langere periodes niet te werken.

 

In het wetsvoorstel wordt expliciet aangegeven dat het verlofsaldo mag worden gebruikt om vervroegd te stoppen met werken. Een RVU-heffing is dan niet verschuldigd. De maatregel is beoogd in werking te treden per 1 januari 2021.

 

Mercer heeft inmiddels veel ervaring opgedaan met het ontwerpen en implementeren van verlofspaarregelingen. Wij kunnen u bij het ontwerpen en implementeren dan ook prima van dienst zijn.

 

 

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021 ingediend

Bij de Tweede Kamer is het voorstel voor de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 (WPS 2021) in behandeling.

 

De WPS 2021 is de (beoogde) opvolger van de Wet verevening van pensioenrechten bij scheiding (WVPS) die sinds 1995 van toepassing is.

 

 

Huidige situatie

Iemand die op dit moment gaat scheiden, heeft te maken met de WVPS. Op basis hiervan bestaat recht op verevening van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Verevening betekent dat over en weer aanspraak bestaat op de rechtstreekse uitkering van 50% van elke pensioentermijn. Het blijft dus de pensioenaanspraak van de gerechtigde, die voor 50% wordt uitgekeerd aan de ex-partner.

 

Partijen kunnen ervoor kiezen om de pensioenaanspraken van de ex-partner, te weten het ouderdomspensioen en het partnerpensioen, middels conversie om te zetten in een eigen pensioenaanspraak ten behoeve van de ex-partner. Alsdan wordt de band tussen de beide ex-partners definitief verbroken.

 

 

Wetsvoorstel WPS

Vanaf 2021 wordt het pensioen bij de scheiding verdeeld middels conversie. Dit wordt de nieuwe standaard. De helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdoms- en partnerpensioen worden omgezet in een eigen pensioenaanspraak voor de ex-partner. Indien de ex-partner binnen zes maanden aangeeft het partnerpensioen te willen behouden, blijft dit buiten de conversie. 

 

Een van de argumenten voor de wijziging is dat conversie tot op heden weinig wordt toegepast en de ex-echtgenoten dus tot in lengte van jaren aan elkaar verbonden blijven. Door de standaard conversie wordt deze verbondenheid verbroken.

 

Als partijen afwijkende afspraken maken dan is de pensioenuitvoerder hieraan gehouden indien deze aan hem worden gemeld binnen zes maanden na de scheiding. Na deze termijn hoeft een pensioenuitvoerder de reeds uitgevoerde conversie niet meer terug te draaien.

 

In verband met een redelijke implementatieperiode bij pensioenuitvoerders was de beoogde inwerkingtredingsdatum van de wet 1 januari 2021. Dit is overigens inmiddels verschoven naar 2022.

 

 

Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP)

Op 14 augustus 2019 is de verordening die het aanbieden van het Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP) mogelijk maakt in werking getreden. De Europese toezichthouder EIOPA had tot 15 augustus 2020 de tijd om de lagere regelgeving uit te werken. Hier heeft zij op 14 augustus 2020 aan voldaan. Twaalf maanden na publicatie van deze lagere regelgeving is het voor aanbieders mogelijk om de PEPP op de markt te brengen.

 

De pensioenregelingen die voortkomen uit het PEPP zijn bedoeld als individuele, vrijwillige pensioenregelingen voor inwoners van de Europese Unie.

 

De Europese Unie ziet het mogelijk maken van grensoverschrijdende arbeid als een van haar hoofddoelen. Het gemakkelijker maken van het meenemen van pensioenopbouw over de grens, draagt hieraan bij. Ook vindt de Europese Commissie het zorgwekkend dat er in een deel van de lidstaten weinig betaalbare mogelijkheden zijn voor pensioenopbouw. De komst van het PEPP moet ervoor zorgen dat pensioenopbouw ook in deze lidstaten op een kostenefficiënte en veilige manier kan plaatsvinden.

 

De PEPP’s krijgen overal dezelfde standaardkenmerken. Aanbieders binnen Europa kunnen onder meer zijn verzekeraars, banken, pensioenfondsen alsmede vermogensbeheerders. Nederlandse pensioenfondsen en PPI’s kunnen geen PEPP aanbieden. De fiscale behandeling van de pensioenopbouw binnen een PEPP valt onder de autonomie van de afzonderlijke lidstaten.

 

Een belangrijk kenmerk van het PEPP is de grensoverschrijdende meeneembaarheid. Dit houdt  in dat als een spaarder in een andere lidstaat gaat wonen, de spaarder  het recht heeft om te blijven deelnemen in het PEPP. Als bijvoorbeeld een spaarder die inwoner van Duitsland is, deelneemt in een PEPP die wordt uitgevoerd door een in Duitsland gevestigde aanbieder, moet die aanbieder deelname in het PEPP mogelijk blijven maken nadat de spaarder in een andere lidstaat is gaan wonen.

 

Een ander relevant kenmerk van het PEPP is de zogeheten overstapdienst. Dit houdt in dat een spaarder het recht heeft om in de opbouwfase van het PEPP het opgebouwde kapitaal te laten overdragen naar een andere aanbieder. Dit geldt ook voor een overdracht naar een aanbieder in een andere lidstaat, ongeacht of de spaarder zelf naar een andere lidstaat is verhuisd. Het recht om over te stappen ontstaat vijf jaar na het sluiten van de PEPP-overeenkomst.