Labor Market | Employee Benefits | Future of Benefits | Mercer

Verkorting WGA-risicoperiode, 10 naar 5 jaar: heilzaam of kostenverhogen?

Minister Koolmees van SZW is in het voorjaar met een pakket maatregelen gekomen om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om mensen in vaste dienst te nemen.

 

De huidige “institutionele vormgeving” van de arbeidsmarkt knelt voor werkgevers en werknemers, aldus het kabinet. Werkgevers zouden terughoudend zijn om mensen in vaste dienst te nemen vanwege de risico’s en kosten die verbonden zijn met het vaste contract. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel, met de veelbelovende titel Arbeidsmarkt in balans, na de zomer naar de Tweede Kamer gaat. De voorgenomen maatregelen, die verder gaan dan hetgeen in het Regeerakkoord was aangekondigd, zouden per 1 januari 2020 moeten ingaan.

Een van de maatregelen die reeds in het Regeerakkoord werd aangekondigd is de verkorting van de duur van de WGA-risicoperiode van 10 naar 5 jaar. Momenteel zijn de eerste 10 jaren van de WGA-uitkeringen die een (ex-)medewerker ontvangt van belang voor de grotere werkgever. De publiek verzekerde werkgevers betalen hiervoor een gedifferentieerde WGA-premie, die qua hoogte afhankelijk is van de instroom van werknemers in de WGA vanuit hun bedrijf.  Deze premies voeden de zogenaamde Werkhervattingskas, waaruit de WGA-uitkeringen aan de betreffende (ex)-medewerkers gedurende 10 jaar worden gefinancierd.  De privaat verzekerde werkgever  (eigenrisicodrager WGA) betaalt  de uitkeringen gedurende maximaal 10 jaar zelf of is daarvoor verzekerd.

Uitkeringen die langer duren worden vervolgens gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).

Het  voorstel van de Minister impliceert dat WGA-uitkeringen vanaf 2020 na 5 jaar niet langer gefinancierd worden uit de Werkhervattingkas (Whk) of in geval van eigenrisicodrager WGA na 5 jaar niet meer worden doorbelast aan de eigenrisicodrager WGA. De uitkeringen worden sneller gefinancierd via de uniforme premie van het Aof. Voor WGA-uitkeringen die ingegaan zijn voor 1 januari 2020 blijft de 10‑jaarperiode overigens gewoon van kracht.

De doelstelling van de verkorting van de risicoperiode is dat het voor werkgevers aantrekkelijker zou worden om mensen een vast contract aan te bieden: hét thema van het Wetsvoorstel. Het financiële risico en de periode waarin de werkgever verantwoordelijk is voor de gedeeltelijke arbeidsgeschikte (ex-)werknemers zou hiermee worden beperkt. Werkgevers hebben meermalen het signaal afgegeven dat zij te veel (financiële) verantwoordelijkheden hebben voor (gedeeltelijk) arbeids(on)geschikte werknemers. De 2 jaar ziekteverzuimperiode en de 10 jaar WGA-periode tellen immers op tot een 12 jaarsperiode.  In vergelijking met ons omringende landen is dat uitzonderlijke lang. De regering heeft dit signaal opgepikt en verwerkt in het wetsvoorstel.

Als je wat nauwkeuriger naar dit onderwerp gaat kijken dan is de onderbouwing van de verkorting van de duur van de WGA-risicoperiode op zijn zachtst gezegd, slap. Tot 2007 was de duur 4 jaar. Daarna is men overgegaan naar 10 jaar. De afweging die het kabinet daarbij toen maakte, is dat de stimulans dan groter is voor werkgevers en private verzekeraars om gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers weer zo snel en volledig mogelijk aan het werk te krijgen. Werkhervatting levert bij een langere periode meer op aan besparingen en uitkeringen dan een kortere periode. Het is curieus dat ruim 10 jaar later deze argumentatie nergens meer terug is te vinden en er klaarblijkelijk afstand van wordt gedaan.

Onze voorspelling is dat de beperking van de duur van de risicoperiode de kosten voor de werkgevers niet zal doen dalen. Deze zullen minimaal gelijk blijven. Er is sprake van een magere sigaar uit eigen doos. Er vindt een verschuiving plaats van de financiële middelen van de Whk naar het Aof. Beide fondsen worden gevoed door premies via de werkgevers. Linksom of rechtsom: de werkgevers blijven opdraaien voor de kosten van de WGA-uitkeringen. Door de verandering in allocatie zullen de kosten voor de werkgevers zelfs stijgen. Een financiële prikkel voor individuele werkgevers verminderd namelijk drastisch. Dit geldt in het bijzonder voor eigenrisicodragers en voor private verzekeraars. Het verkorten van de termijn zorgt ervoor dat voor hen de terugverdientijd van hun investeringen in re-integratie wordt beperkt. Verzekeraars zien hun premievolume slinken. De toenemende uitstroom uit de WGA als gevolg van interventies wordt (grotendeels) teniet gedaan. Het sop is de spreekwoordelijke kool niet meer waard.  Men verwacht zelfs dat de totale uitkeringslasten met € 155 mln stijgen als gevolg van minder inspanningen van werkgevers om arbeidsongeschiktheid te voorkomen en de uitkeringsduur te beperken. Het zijn de werkgevers die deze lasten zullen moeten ophoesten.

Het is niet zozeer de duur van het arbeidsongeschiktheidsrisico als wel de totale kosten die gepaard gaan met arbeidsongeschiktheid van (ex-)werknemers en het hele administratieve en bureaucratische regelgeving daarom heen. Dit laatste speelt vooral een rol bij de kleinere werkgevers. Zij willen hun onderneming drijven en niet lastig gevallen worden met ingewikkelde sociale wetgevingen en aanpalende regelgevingen. Dat de duur wordt verkort met 5 jaar zet weinig zoden aan de dijk en is meer symbolisch van aard. Kleine MKB bedrijven (en die zijn verreweg in de meerderheid in Nederland) zijn doorgaans publiek verzekerd en hebben te maken met een uniforme sectorale premie. Meer of minder instroom heeft nauwelijks of geen invloed op de publieke premie voor hen.  

De gedifferentieerde premie Whk of de verzekeringspremie in geval van ERD-schap mag de werkgever voor de helft in rekening brengen bij de werknemers. Indien er een verschuiving plaatsvind van de Whk naar het Aof als gevolg van de kortere risicoperiode, daalt de premie van de Whk en stijgt die van het Aof. De Aof-premie komt volledig voor rekening van de werkgever, hij kan de premie niet voor een deel bij de werknemers neerleggen. Als gevolg zullen zijn netto kosten stijgen.

Er kunnen vraagtekens worden gezet bij het uitgangspunt van de overheid dat de duur van de WGA-risicoperiode werkgevers weerhoudt om werknemers een vast contract aan te bieden. Het WGA-risico geldt per 2014 immers ook werknemers met een flex-contract (Bezava). Een verkorting van de WGA-risicoperiode zal de keuze tussen een flex contract en een vast contract echt niet beinvloeden.

Een verkorting van de WGA-risicoperiode zal niet van invloed zijn op het gevoel van werkgevers dat er sprake is van een scheve verdeling in verantwoordelijkheid tussen werkgevers en werknemers. Het zal evenmin bijdragen aan een vermindering van de ingewikkeldheid van regelgevingen op het terrein van de sociale zekerheid.

De maatregelen druisen daarnaast in tegen adagium dat ‘de vervuiler’ betaalt. Als gevolg van de verkorting van de WGA-risicoperiode zal de premieberekening van de publiek verzekerde bedrijven iets anders worden. Er vindt een tijdelijke aanpassing plaats in de berekening van de opslagen en kortingen. Werkgevers met relatief veel uitkeringen die langer duren dan vijf jaar krijgen te maken met een lagere premie. Werkgevers met veel uitkeringen die korter duren dan vijf jaar krijgen te maken met een hogere premie. Werkgevers die veel tijd en inspanning leveren om de uitkeringsduur te verkorten worden met deze maatregel min of meer gestraft.

Werkgevers blijven alle kosten van de arbeidsongeschikte werknemers dragen. De totale kosten worden enkel op een andere wijze over de werkgevers omgeslagen. Dat zal vanaf het 8e tot en met het 12e ziektejaar via een landelijke uniforme premie plaatsvinden. Door de bank genomen zullen de meeste werkgevers duurder uit zijn. Het voorstel biedt geen oplossing voor een niet bestaand probleem. Een dergelijk voornemen van de overheid kan daardoor beter in de ijskast worden gezet. De bestaande private markt biedt voldoende alternatieve oplossingen om werkgevers te helpen en  gelet op de krapte op de arbeidsmarkt zou een ander type beleid meer zoden aan de dijk zetten.

Meer gerelateerde artikelen: