|
Dragen van het eigen risico binnen de WGA gaat soms gepaard met nogal wilde veronderstellingen. Ook het begrip “eigen risico dragen” op zich schrikt daarbij wel eens af. Er wordt gesproken over een “risico”, dat “gedragen” moet worden, en dan ook nog eens “zelf”. Deze vermeende onzekerheden boezemen vrees in. Men realiseert zich echter niet dat in het publieke bestel men die risico’s uiteindelijk ook zelf draagt. Weliswaar verricht het UWV de WGA-uitkeringen, maar die worden - weliswaar met een vertraging van twee jaar - volledig verhaald op de werkgever. Als eigen risicodrager is men weliswaar verantwoordelijk voor re-integratie gedurende maximaal 10 jaar, maar dat is juist een groot voordeel. Men heeft immers het heft in eigen handen en men is niet meer afhankelijk van de activiteiten van het UWV.
In geval van het eigen risico binnen de WGA valt niet te ontkennen dat het om een complex vraagstuk gaat, waarbij besluitvorming over meerdere disciplines (HR, Financiën, Casemanagement) aan de orde is. In hun onderlinge samenhang wordt pas duidelijk of uittreding uit het publieke bestel een goede en aantrekkelijke stap is.
Het dragen van eigen risico voor de wettelijke WGA-uitkeringen gaat met enige regelmaat gepaard met nogal wat mythes. In onze adviespraktijk blijkt dat geuite bezwaren op gebied van bijvoorbeeld administratie, re-integratie, bezwaarprocedures en verslaglegging niet samenhangen, en vaak uit hun verband zijn gerukt. Hieronder worden zeven mythes genoemd en weerlegd.
Mythe 1: Wij hebben in het verleden al eens gekeken of het dragen van een eigen risico binnen de WAO gunstig was. Dat was niet het geval, en dat zal dus voor de WGA vast ook gelden.
Mythe 2: Vooral voor bedrijven met een laag ziekteverzuim is het aantrekkelijk om uit te stappen.
Mythe 3: Het UWV geeft aan dat je iets moet besluiten over de uitvoering van de administratie. Als je dat als bedrijf zelf moet doen, dan wordt het wel heel complex en bewerkelijk als je eigen risicodrager wordt.
Mythe 4: De verantwoordelijkheid voor re-integratie is voor mij een probleem: de werknemer in de WGA is immers uit dienst en uit beeld. De eigen risicodrager heeft zware re-integratieverplichtingen. Bovendien komen de kosten voor mijn rekening, want het UWV vergoedt die niet meer.
Mythe 5: Een eigen risicodrager wordt door de wet gezien als Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). Het is niet duidelijk wat dit betekent, maar het klinkt bezwaarlijk en zal veel extra werk met zich mee brengen.
Mythe 6: Als je uittreedt dan ben je verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen van iedereen die vanaf 1 januari 2004 ziek is geworden, het zogeheten inlooprisico.
Mythe 7: Als ik eigen risicodrager word, moet er een voorziening worden opgebouwd voor die werknemers die in de WGA terecht komen. Dit is in het kader van een stabiele balans en verlies- en winstontwikkeling een risico.
Mythe 1: Wij hebben in het verleden al eens gekeken of het dragen van een eigen risico binnen de WAO gunstig was. Dat was niet het geval, en dat zal dus voor de WGA vast ook gelden.
Door de overgang van WAO naar WIA deed zich een bijzondere situatie voor. Om een eerlijk speelveld te creëren tussen verzekeraars (die met het kapitaaldekkingstelsel werken) en het UWV (dat met het omslagstelsel werkt), is een opslag op de UWV-premie ingevoerd. De feitelijke lastendekkende premie die het UWV nodig heeft om alle WGA+uitkeringen te kunnen financieren is 0,46% in 2012 Door een opslag van 0,07% wordt echter een gemiddelde premie van 0,53% toegepast. Deze premie geldt primair voor ieder bedrijf, nog even los van de korting of de toeslag hierop (gedifferentieerde premie). Hierdoor ontstaan situaties waarbij het voor het ene bedrijf zeer profijtelijk is om uit te stappen, maar voor een ander bedrijf juist niet. Een vergelijking met de WAO is daarom dus niet terecht. Dat blijkt ook uit de volgende mythe.
Mythe 2: Vooral voor bedrijven met een laag ziekteverzuim is het aantrekkelijk om uit te stappen.
Een hoog of laag ziekteverzuimpercentage speelt maar in zeer beperkte mate een rol, en dan vooral op indirecte wijze. Bepalend voor de gedifferentieerde WGA-premie van het UWV is de hoogte van de WGA-uitkeringen. Deze hoogte hangt niet één op één samen met het (huidige) ziekteverzuim in uw organisatie. Ditzelfde geldt voor de in de toekomst te verwachten lasten aan WGA-uitkeringen.
Mythe 3: Het UWV geeft aan dat je iets moet besluiten over de uitvoering van de administratie. Als je dat als bedrijf zelf moet doen, dan wordt het wel heel complex en bewerkelijk als je eigen risicodrager wordt.
U kunt inderdaad de administratie en de uitkeringen zelf verrichten, maar u kunt dit ook aan het UWV overlaten. Vanwege de extra administratieve last is het voor de meeste bedrijven niet aan te bevelen deze verantwoordelijkheid van het UWV over te nemen. Feitelijk is er dan geen verschil tussen wel of niet eigen-risicodrager zijn. Het UWV verhaalt maandelijks de door hen verrichte uitkeringen op u. Dit geldt eigenlijk ook voor een bedrijf dat niet uit het publieke stelsel stapt. Bij deze bedrijven worden de uitkeringen dan meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de gedifferentieerde WGA-premie.
Als eigen risicodrager declareert u de op u verhaalde WGA-uitkeringen vervolgens bij uw verzekeraar.
Mythe 4: De verantwoordelijkheid voor re-integratie is voor mij een probleem: de werknemer in de WGA is immers uit dienst en uit beeld. De eigen risicodrager heeft zware re-integratieverplichtingen. Bovendien komen de kosten voor mijn rekening, want het UWV vergoedt die niet meer.
U bent als werkgever in de eerste twee jaar van het ziekteverzuim verantwoordelijk voor de re-integratie van zieke werknemers. Daarbij bent u er ook verantwoordelijk voor om een werknemer zonodig bij een andere werkgever te laten re-integreren als u zelf geen functie (meer) voor hem beschikbaar heeft. Indien u onvoldoende inspanningen op dit vlak hebt verricht, wordt er door het UWV geen WIA-keuring uitgevoerd en krijgt u straf door een verlenging van de loondoorbetalingperiode.
Een eigen risicodrager voor de WGA is niet alleen financieel verantwoordelijk voor de wettelijke WGA-uitkeringen, maar heeft ook een verplichting voor adequate re-integratie van de werknemer gedurende 10 jaar. Dit geldt ook indien de werknemer uit dienst is. In de meeste gevallen zal de private verzekeraar de werkgever hierin willen bijstaan, temeer omdat een verzekeraar wil meewerken aan schadelastbeheersing.
Verschillende bedrijven kiezen er juist voor om de verantwoordelijkheid voor re-integratie na twee jaar te behouden om zo grip te houden op de eigen schadelast (want ook na twee jaar ziekte blijven WGA-kosten drukken op u als werkgever) en de ‘eigen’ werknemers niet over te leveren aan de re-integratieinspanningen van het UWV. Bedrijven in het publieke bestel dragen de re-integratieverantwoordelijkheid na twee jaar over aan het UWV. Hierbij moet men maar afwachten hoe goed het UWV deze verplichting uitvoert. U wordt er echter wel op afgerekend door middel van de gedifferentieerde premie, terwijl u er geen invloed meer op kunt uitoefenen.
Tevens moet worden bedacht dat de kosten voor re-integratietrajecten voor een werknemer over het algemeen lager uitvallen dan € 5.000. Daarnaast geldt dat uw eigen risicodragersverzekering vaak een belangrijk deel van de re-integratieactiviteiten kan financieren of overnemen. Bovendien moet niet worden vergeten dat u gedurende de eerste twee ziektejaren (104 weken) al het mogelijke aan re-integratie heeft gedaan in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter.
Op basis van de WIA moet het UWV voor de niet-eigen risicodragers actief zijn op het vlak van re-integratie. De hiermee gepaard gaande kosten neemt het UWV voor zijn rekening. Deze worden gefinancierd uit de WGA-premies. Het UWV hanteert hierbij ook het uitgangspunt van “kosten-baten”. Indien de baten niet opwegen tegen de kosten zal het UWV een ander traject voorstellen bij re-integratie. Het UWV zal pas actief worden nadat de persoon in kwestie de WGA is ingestroomd, dus na twee jaar ziekte.
De werkgever die eigen risicodrager WGA is, kan veel eerder aankloppen bij de verzekeraar om tot meefinanciering van re-integratie te komen. Dit proces kan al starten in de Wulbz-periode.
Mythe 5: Een eigen risicodrager wordt door de wet gezien als Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). Het is niet duidelijk wat dit betekent, maar het klinkt bezwaarlijk en zal veel extra werk met zich mee brengen.
De eigen risicodrager is niet alleen financieel verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen, maar ook voor de re-integratie van de betreffende medewerker(s). In voorkomende gevallen kan dit leiden tot het opleggen van maatregelen indien de werknemer niet voldoende meewerkt aan het re-integratietraject. In dat kader wordt de eigen risicodrager aangemerkt als een zelfstandig bestuursorgaan (een soort ‘UWV’). Dit betekent dat u met bezwaar- en beroepsprocedures kan worden geconfronteerd op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Als er sprake is van een sanctie voor een werknemer die onvoldoende meewerkt aan re-integratie dan moet u een gemotiveerde beschikking afgeven. Het moet voor de werknemer mogelijk zijn hiertegen in beroep te gaan of bezwaar aan te tekenen als u te weinig aan re-integratie doet. Veel verzekeraars zijn ingesprongen op deze “mythe” en nemen de werkzaamheden in het kader van de ZBO van u over. De eigen risicodrager hoeft deze procedure pas in te richten op het moment dat er daadwerkelijk maatregelen worden opgelegd. De kans dat zoiets gebeurt is uitermate klein.
Mythe 6: Als je uittreedt dan ben je verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen van iedereen die vanaf 1 januari 2004 ziek is geworden, het zogeheten inlooprisico.
Dit is geen mythe, maar een feit. Als u besluit om eigen risicodrager te worden, dan komen de (mogelijke) WGA-uitkeringen van iedereen die na 1 januari 2004 ziek is geworden voor uw rekening. Het is daarom bij de bepaling of het financieel aantrekkelijk is om uit te stappen, erg belangrijk goed te kijken naar deze groep werknemers, waarvan mogelijk een aantal een WGA-uitkering zal krijgen en anderen nog langdurig ziek zijn.
Dit is een van de redenen dat sommige private verzekeraars in hun commerciële aanbiedingen voor kleinere bedrijven nogal eens aangeven dat het aantrekkelijk wordt als je geen werknemers hebt die meer dan 13 weken ziek zijn. Dit laatste geldt niet voor grote bedrijven, omdat die over het algemeen wel werknemers hebben die meer dan 13 weken ziek zijn, en ook al werknemers hebben die een WGA uitkering hebben. Verzekeraars zijn in de meeste gevallen bereid dit inlooprisico van u over te nemen door middel van een opslag op de premie gedurende de contractperiode van 3 of 5 jaar, of via een eenmalige koopsom. De bestaande WGA-uitkering wordt dan door de verzekeraar overgenomen. Ook de eventuele WGA-uitkering van de huidige langdurig zieken neemt de verzekeraar dan van u over.
Mythe 7: Als ik eigen risicodrager word, moet er een voorziening worden opgebouwd voor die werknemers die in de WGA terecht komen. Dit is in het kader van een stabiele balans en verlies- en winstontwikkeling een risico.
Voor beursgenoteerde bedrijven die vallen onder het regime International Financial Reporting Standards (IFRS), maar ook andere Nederlandse bedrijven die de jaarrekening opstellen op basis van de RJ271, geldt voor de beloningen op lange termijn dat de voorziene toekomstige lasten in de balans opgenomen dienen te worden.
Na bestudering van de verslagleggingregels van de IFRS is onze interpretatie dat zowel bij verzekerd zijn in het publieke bestel als bij eigen risicodragerschap een voorziening moet worden gevormd voor de WGA-uitkeringen die zijn toegekend. Bedrijven die volgens de richtlijnen van de jaarverslaglegging (RJ 271) rapporteren, moeten een voorziening opbouwen als zij uitstappen. Dit geldt vooral voor het zogeheten inlooprisico. De richtlijn geeft aan dat er geen voorziening hoeft te worden opgebouwd als men in het publieke bestel blijft.
De conclusie is dat onder de IFRS vrijwel dezelfde balansverplichtingen opgenomen moeten worden bij zowel blijven in het publieke bestel als bij uitstappen uit dat bestel. Op dit gebied is de keuze tussen UWV en eigen risico dragen gelijkwaardig.
Bij verslaglegging volgens de RJ 271 hoeft er bij uitstappen wèl, en bij blijven geen balansvoorziening te worden gevormd.
|