|
Over het uitblijven van een massale groei in beschikbare-premieregelingen in Nederland wordt al vele jaren geschreven en gesproken. Toch lijkt het begrip 'beschikbare premie' hier nu ook langzaam maar zeker terrein te winnen. Onlangs stelde VNO-NCW nog in de Volkskrant dat alle werkgevers na de komst van het Pensioenakkoord een beschikbare-premieregeling zullen hebben, zij het met een hogere mate van collectiviteit. Linksom of rechtsom komt het dus uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer. We zien een 'perfect storm' optreden als gevolg van lage rente, een aantal opeenvolgende financiële crises en het feit dat we almaar langer leven. Tel daarbij op dat het voor alle generaties in een welvaartsstaat nu eenmaal lastig is een stapje terug te doen, waardoor mensen geneigd zijn zich vast te houden aan iets dat op verworven rechten lijkt, en een kloof tekent zich af tussen de generaties.
In een financieel lastige tijd zijn werkgevers niet langer van plan verdere kostenstijgingen te accepteren, waardoor moet worden ingegrepen als nooit tevoren. Tegelijkertijd wordt de Nederlandse markt na de introductie van een nieuw soort uitvoerder (de zogenaamde PPI) betreden door prijsvechters, en hebben bij schrijven van dit artikel inmiddels 8 PPI's een vergunning. Daarmee krijgt de beschikbare-premieregeling zeker meer aandacht. De kosten van dit soort producten vormden in het verleden vaak een probleem, maar zijn na invoering van de PPI's fors omlaag gegaan.
Door bovengenoemde storm kraakt het Nederlandse pensioenstelsel inmiddels in zijn voegen, met een vertrouwenscrisis als gevolg. Uiteindelijk is de vraag of met name de jongere generaties nog bereid zijn te accepteren dat collectiviteit en solidariteit op de lange duur een beter financieel eindresultaat zullen opleveren. In verband hiermee doemt de vraag op waar het voor die groep nu echt nog om gaat. Is dat wel het beste financiële eindresultaat? Het alternatieve Pensioenakkoord van de Jonge Liberalen (“Pensioen op Stand”) zet de toon voor een andere benadering, zelfs al zou deze financieel minder dan optimaal zijn.
Een illustratie hiervan. In de jaren tachtig woedde een strijd tussen de videosystemen Betamax en VHS. Als we de experts mogen geloven leverden videorecorders van Betamax een aanzienlijk beter beeld - waar het bij videorecorders uiteindelijk om gaat - maar de klanten bleken om heel andere redenen niet geïnteresseerd, waardoor het geen succes geworden is. Het Betamax-probleem lijkt zich nu ook af te tekenen in pensioenland. Een laatste belangrijke vraag is of de klanten echt niet geïnteresseerd zijn, of dat ze wellicht een latente behoefte hebben aan dat betere pensioen, maar dat zelf nog niet weten.
Problemen bij pensionering in de huidige marktOpvallend is dat diverse grote werkgevers in de loop van 2011 zijn gestart met een overstap naar een beschikbare-premieregeling, waarmee een nieuwe golf zich inderdaad lijkt in te zetten. Hoewel het Pensioenakkoord wellicht voldoende draagvlak heeft - iets wat nog te bezien valt - pakken donkere wolken zich boven het pensioenlandschap samen zodra de implementatie ervan om de hoek komt kijken. Een alternatief is dan een beschikbare-premieregeling. Opvallend genoeg is dit soort regelingen bij een aantal CAO onderhandelingen momenteel onderwerp van gesprek en lijkt de principiële tegenstand langzaam weg te ebben. De producten die inmiddels worden aangeboden onder de noemer beschikbare-premieregeling zijn de laatste jaren fors geprofessionaliseerd. Daarbij zijn de onderliggende beleggingsproducten stevig doorontwikkeld, waardoor onder meer het risico van het uitsluitend moeten aankopen van pensioen op één moment met een lage marktrente per de pensioendatum grotendeels geëlimineerd wordt. Verder is de deelnemer door afbouw van het risico aan het einde van de looptijd in hoge mate beschermd tegen lage aandelenkoersen op dat moment. Als werkgever en werknemer hun regeling gedurende het actieve dienstverband met enige regelmaat toetsen (door Mercer aangeduid met DC Plan Management) zullen er bij pensionering van de werknemer kortom weinig verrassingen zijn.
Toch is er de laatste maanden veel te lezen geweest over lage uitkeringen bij pensionering. Ten eerste is een belangrijk gegeven dat als je weinig geld in een pensioenregeling stopt, er natuurlijk ook weinig geld uit gaat komen. Maar daarnaast betreft het in veel gevallen deelnemers die met pensioen gaan en een beschikbare-premieregeling hebben afgesloten in de tijd waarin de eerste golf van dergelijke producten ontstond. Dat is met name in het midden van de jaren negentig het geval geweest. Het ging daarbij om producten die minder ontwikkeld waren dan de huidige, met alle gevolgen van dien. Echter, als het zo is dat werkgever en werknemer in die twintig jaar regelmatig samen naar de pensioenregeling hebben gekeken, zijn vermoedelijk tussentijds aanpassingen gemaakt en is de regeling gemoderniseerd. Een huis dat langzaam in verval raakt als er twintig jaar niet naar wordt omgekeken is nog geen slecht huis, en dat geldt ook voor een pensioenregeling. Ook bij de beschikbare-premieregelingen lijkt dit een belangrijk issue. Doordat ze klein begonnen en langzaam maar zeker tot wasdom zijn gekomen is er lange tijd niet of nauwelijks naar omgekeken. Intussen deed de tand des tijds zijn werk, waarna er op een moment niets meer aan te doen viel. Zelfs als dit een “fact of life” is, dan nog lijkt het verstandig om de deelnemer gaandeweg de rit continu hierop te wijzen.
Als anno 2012 vervolgens blijkt dat de uiteindelijk aan te kopen pensioenen tegenvallen of, beter geformuleerd, de verwachtingen van werkgever en/of werknemer niet bij de praktijk aansluiten, dan is er nog een beperkt aantal opties voorhanden om het probleem enigszins te verzachten, zoals shoppen, knippen, uitstellen, en nog enkele opties.
Shoppen, knippen en uitstellen'Shoppen' betekent dat met het tot uitkering komende kapitaal wordt rondgekeken in de markt. Net als op andere markten worden ook pensioenuitkeringen per kilo verkocht. Een kilo pensioen is bij een lage rente simpelweg duur, maar toch zijn tussen de verschillende aanbieders prijsverschillen te bespeuren. Is de prijs 10% lager, dan is het uiteindelijk jaarlijks pensioen 10% hoger. Wellicht lost dit het probleem dus maar gedeeltelijk op. Uit de theorie van behavioral finance is bekend dat werknemers weinig genegen zijn om actief naar een andere aanbieder te zoeken, en dat ze daarentegen eerder geneigd zijn het aanbod van de bestaande uitvoerder te accepteren. Ze hebben dus wat hulp nodig bij het shoppen met hun pensioenkapitaal.
De tweede optie: 'knippen'. Hierbij gebruikt de werknemer een deel van het kapitaal op de pensioendatum en koopt daarvan een tijdelijke uitkering van bijvoorbeeld vijf jaar. Het restant van het kapitaal blijft dan staan en moet bij het aflopen van de tijdelijke uitkering gebruikt worden voor aankoop van een nieuwe – levenslange – uitkering. Helaas is deze oplossing slechts beperkt, want hij werkt immers alleen maar als de situatie over 5 jaar significant is verbeterd. Sinds de herinvoering van deze regeling in 2008 (hij bestond al sinds de jaren 90) is dat niet het geval. Inmiddels ligt het knipbesluit ter revisie in de Tweede Kamer. Zonder structurele aanpassing is het besluit slechts een methode om het probleem uit te stellen en te hopen op betere tijden. Overigens is Nederland een van de weinige landen ter wereld die een volledige verplichting kennen tot aankoop van een annuïteit, wat in zijn algemeenheid als grote tekortkoming van ons model geldt. In de huidige markt worden mensen namelijk gedwongen het verlies voor de rest van hun leven in te kopen.
De derde en laatste optie is uitstel, dat een hogere uitkering oplevert. Enerzijds kan het zijn dat de werknemer langer pensioen opbouwt (hij betaalt dan langer premie en het geld rendeert langer), waardoor de uiteindelijke pot geld groter is. Anderzijds wordt over een gemiddeld kortere periode uitgekeerd omdat later wordt gepensioneerd. De exacte hoogte van het extra pensioen hangt af van de specifieke omstandigheden en de marktrente op het moment van uitstel. Uiteraard zal langer werken daarbij wel mogelijk en reëel moeten zijn, wat niet altijd zo is. Bovendien betekent dit iets voor de werkgever, aangezien de werknemer langer in dienst blijft en niet door een jongere kan worden vervangen. Kortom, allemaal zaken die goed in de “workforce planning” van de onderneming moeten worden ingebed.
Beschikbare-premieregelingen met direct aankoop van een uitkeringIn een eerdere editie van dit blad stond een artikel over het einde van defined benefit en het einde van individueel beschikbare premie. Uiteraard zal Nederland een nieuwe middenweg tussen deze twee systemen proberen te zoeken, wat volledig in de traditie past van het iedereen tevreden houden. Laten we die tussenweg voor het gemak maar even Collectief DC noemen; een makkelijk containerbegrip waaronder allerlei ondefinieerbaars kan worden gerubriceerd. Hulde in dit verband aan onze toezichthouder, die al eens eerder heeft aangegeven dat Collectief DC niet bestaat. Immers, een pensioenregeling is het één (uitkeringsovereenkomst) of het ander (kapitaals- of premieovereenkomst).
In de “DC-poldervariant” wordt de beschikbare premie direct in een (uitgestelde) annuïteit gestort. Dit heeft uiteraard grote beleggingstechnische voordelen. De beleggingshorizon hoeft immers niet te eindigen op de pensioendatum, omdat de pot na de pensioendatum gewoon blijft staan. Dat levert een extra beleggingsrendement en daarmee een hoger verwacht pensioen op. Deze soort van beschikbare-premieregeling kan op twee manieren worden uitgevoerd: een waarbij een gegarandeerde uitkering wordt toegezegd, en mogelijk (zodra het nieuwe FTK2 er is) een regeling die een voorwaardelijke uitkering toezegt. Beide keuzes hebben elk hun eigen consequenties voor de wijze waarop de pensioenregeling wordt verantwoord in de balans en de verlies- en winstregeling van de onderneming.
In geval van een gegarandeerde uitkering ligt het het meest voor de hand dat de uitvoering van de regeling in handen wordt gelegd van een verzekeraar, aangezien daarmee het risico volledig wordt overgedragen aan een externe partij. Hoewel uitvoering via een pensioenfonds ook mogelijk is, kan er in dat geval sprake zijn van gevolgen voor de cijfers van de onderneming. Anderzijds is het voor deelnemers juist een belangrijk gegeven dat eens beloofde uitkeringen ook daadwerkelijk worden gegarandeerd door de verzekeraar. Uiteraard blijft wel het solvabiliteitsrisico van de verzekeraar een belangrijk gegeven en het verdient dan ook aanbeveling daar goed op te letten. Dat rekent dan gelijk af met de onzekerheden die optreden op het moment dat pensioen wordt aangekocht, zoals hierboven omschreven. Dergelijke regelingen zijn bovendien eenvoudig te communiceren. Tot slot zou een PPI kunnen worden overwogen, maar daarvoor is van belang te vermelden dat een PPI niet zelfstandig een gegarandeerde uitkering mag aanbieden, en dus in beginsel afvalt.
In geval van een niet-gegarandeerde uitkering wordt van de beschikbare premie een pensioen aangekocht dat afhankelijk is van de beschikbare middelen. Concreet betekent dit dat die uitkering kan mee-ademen met de economische staat van de pensioenregeling. Te denken valt aan een model waarbij uit de beschikbare premie een laag nominaal pensioen wordt ingekocht en een ander deel van de beschikbare premie gebruikt wordt voor indexatie van die nominale aanspraak. Het mag duidelijk zijn dat het eenvoudiger zal zijn dergelijke regelingen uit de boeken van de onderneming te houden, maar het uitzicht op de garantie van de uitkering voor de deelnemer verdwijnt. Hoewel dergelijke regelingen met veel kunst en vliegwerk ook binnen het huidig toezichtskader vorm kunnen krijgen (het zijn de facto immers CDC regelingen), ligt dit type regeling meer in lijn met het nieuwe toezichtsregime FTK2. Daarover is op dit moment echter nog veel onduidelijk. Met name de vraag of dergelijke regelingen zonder gevolgen voor accounting kunnen worden vormgegeven kan op dit moment nog niet definitief worden beantwoord.
ConclusiesDe markt maakt zich klaar voor een nieuwe golf van beschikbare-premieregelingen. Dat kunnen individuele vormen zijn waarbij een kapitaal beschikbaar wordt gesteld, of collectieve vormen waarbij een uitkering in het vooruitzicht wordt gesteld. Linksom of rechtsom komt daarbij op hetzelfde neer. Beide regelingen kennen specifieke voor- en nadelen, die in kaart kunnen worden gebracht. Diverse grote multinationals zijn u onlangs reeds voorgegaan, en de expertise die Mercer daarbij heeft opgedaan kunt u uiteraard gebruiken. Specifiek voor dit doel ontwikkelde tools kunnen u daarbij helpen. Hoe dan ook lijkt de tijd aangebroken om over dit onderwerp na te denken; u hoeft hiervoor zeker niet te wachten tot alle details van het Pensioenakkoord duidelijk zijn. Heeft u vragen of wilt u meer informatie, neem dan gerust contact op met uw Mercer-consultant of met Tim Burggraaf.
|